Wat zijn de structurele uitdagingen voor de zorgsector?

Jo Vandeurzen: “De zorg bevindt zich in een belangrijke transitiefase. Zo zijn er de budgettaire beperkingen, nieuwe technologieën, de emancipatie van de patiënt, de verschuiving van bevoegdheden tussen de overheden, wijzigende zorgvragen, de komst van nieuwe zorgspelers, enz. De grootste uitdaging hierbij is om samen met alle stakeholders en overheden de wet van de remmende voorsprong te weerstaan. Ondanks ons sterk zorgmodel is er immers wel degelijk nood aan evoluties, maar dan moeten we wel duidelijke keuzes maken en het een en ander op de rails krijgen.”

Yves Breysem: “Al deze facetten zullen zich weerspiegelen in de zorg die we in de toekomst in ziekenhuizen zullen aanbieden. Zo geeft een Nederlandse studie aan dat door de technologische evoluties maar liefst 46% van de momenteel gehospitaliseerde patiënten thuis zal kunnen worden verzorgd. Dit vraagt om een reorganisatie van de eerste-, tweede- en derdelijnszorg. De vraag die ons vandaag moet bezig houden is hoe we dit zullen aanpakken.”

Marleen Vanhees: “Door de vermaatschappelijking van de zorg vinden nieuwe doelgroepen alvast de weg naar de thuiszorg. Het gaat niet enkel meer over ouderen met zelfredzaamheidsbeperkingen, maar ook bijvoorbeeld over mensen met psychische aandoeningen of met een handicap en over pas bevallen vrouwen die sinds de ingekorte verblijfsduur in het ziekenhuis nood hebben aan kraamzorg aan huis. Op één jaar tijd nam het aantal uur kraamzorg aan huis toe met twintig procent.”

“We missen echter een coherent beleid waarbij de verschillende niveaus aandacht hebben voor de effecten van zo’n maatregel in het veld. We moeten immers de kwaliteit kunnen blijven waarborgen en dat vraagt capaciteit. Momenteel staat het aantal uur zorg dat we iedere persoon kunnen bieden sterk onder druk.”

Marc Noppen: “Een bijkomende uitdaging hierbij is dat er binnenkort voor iedere honderd experten die de zorg verlaten, er slechts 75 klaarstaan om hen te vervangen. We zullen ons model dus moeten veranderen en mensen anders moeten inzetten, krachten aantrekken uit andere sectoren en/of ze zelfs gaan rekruteren in andere landen.”

En wat dan met de financiering?

Saskia Bauters: “De relevantie van deze sector in onze economie en maatschappij is groot, wat betekent dat alle actoren, inclusief de banken, in een goed overleg de sector moeten blijven ondersteunen. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk een duidelijke en stabiele langetermijnvisie komt, ook op het vlak van de financiering van de verschillende spelers en initiatieven. Hiervoor is er nood aan een afstemming tussen alle actoren en beleidsniveaus.”

Joeri Staessen: “Iedere speler wil open en financieel rendabel kunnen werken, maar uiteindelijk zal de patiënt altijd wel een deel van de factuur moeten betalen, hetzij via belastingen, hetzij via een rechtstreekse bijdrage. We moeten duidelijk maken dat in dat kader naast de verplichte ziekteverzekering ook de Vlaamse Sociale Bescherming een cruciale rol speelt. Intussen maken al 350.000 Vlaamse zorgbehoevenden er gebruik van. Als ziekenfonds zullen we meer vraaggericht moeten werken en de mensen moeten begeleiden om door de bomen het bos te blijven zien.”

Wat is de rol van preventie in de toekomstige gezondheidszorg?

Marc Gryseels: “Preventie is een enorme uitdaging. We moeten dus meer inzetten op preventie en het voorkomen van ziekten. De uitdrukking is toch ‘voorkomen is beter dan genezen’, en OTC-geneesmiddelen moeten daarbij een rol spelen. Maar dan dient de overheid de rol van deze middelen daarin wel te erkennen.”

Jo Robrechts: “Gezondheidszorg bestaat uit ‘gezondheid’ en ‘zorg’. Bij ‘zorg’ focussen we doorgaans op wat niet meer kan, terwijl ‘gezondheid’ gaat over wat wel nog kan. Vandaag leggen we als samenleving nog te veel de focus op zorg. Medische behandelingen bepalen immers slechts tien procent van de gezondheidswinst die kan worden geboekt. Toch gaat nog steeds 97 procent van de huidige budgetten naar die behandelingen. Onze levensstijl is daarentegen goed voor maar liefst veertig procent impact op onze gezondheid. Het is dus tijd om keihard in te zetten op gezondheid en preventie. Zo zullen we bij heel wat mensen chronische ziekten kunnen uitstellen en zelfs vermijden. Zowel in het beleid als in de wijze waarop zorgspelers op het terrein handelen, is het tijd voor een herziening.”

Marc Noppen: “Daar ben ik volledig mee akkoord. Zo kan je bijvoorbeeld veel zeggen over Cuba, maar zij slagen er wel in om maar liefst vijftig procent van hun budget te spenderen aan preventie en geïntegreerde zorg. Hierdoor halen ze betere gezondheidscijfers dan de Verenigde Staten.”

Jo Vandeurzen: “De verzekeraars hebben alvast een pact afgesloten met minister Maggie De Block, waarin ze stellen dat ze meer willen inzetten op gezondheid. De cijfers over hoeveel budget er percentueel wordt besteed aan preventie versus behandelingen kunnen zeker internationaal niet worden vergeleken. Maar het is uiteraard wel zo dat er momenteel in België meer budget gaat naar curatie dan naar preventie. Gezondheid in de brede zin gaat echter over alle mogelijke beleidsdomeinen, inclusief mobiliteit, werk, onderwijs, sociaal beleid, enz. ‘Health’ is inderdaad ‘in all policies’. Het is duidelijk dat alleen een klassieke campagne van folders en affiches niet langer volstaat.”

Jo Robrechts: “Een euro kan je inderdaad slechts éénmaal uitgeven. Maar zijn we niet stilaan toe aan een fundamentele politieke discussie op federaal niveau over een gedeeltelijke heroriëntatie van de RIZIV-middelen richting ‘gezond blijven’?”

Piet Calcoen: “Wanneer we praten over de financiering van de zorg, wordt vaak uit het oog verloren dat de patiënt een aanzienlijk deel van de zorg zelf moet financieren. In de ziekenhuizen wordt minder dan tien procent van de zorg door de patiënt zelf gefinancierd. In de ambulante sector gaat het echter over meer dan dertig procent. Geneesmiddelen worden voor veertig procent door de patiënt betaald en tandzorg zelfs voor 45 procent. Terwijl de meeste mensen over een hospitalisatieverzekering beschikken die ziekenhuiskosten terugbetaalt, hebben slechts weinig mensen een dekking voor ambulante kosten. Misschien wordt het tijd dat verzekeringsmaatschappijen en ziekenfondsen hun aandacht hierop richten.”

Joeri Staessen: “Preventie vinden we de kern van een toekomstig gezondheidszorgbeleid. Bij het ziekenfonds spelen we daar al sterk op in. Vorig jaar lanceerden we een campagne om overmatig suikergebruik aan te kaarten: meer dan zeventigduizend mensen lieten zich door ons begeleiden. We hebben er resoluut voor gekozen om geen belerende toon aan te nemen en dat heeft duidelijk zijn vruchten afgeworpen. Als ziekenfonds evolueren we bewust van een klassieke loketwerking naar informatieverlening en proactief gezondheidsadvies geven.”

“Preventie slaagt wanneer het individu zelf bewust in actie kan komen, dit in tegenstelling tot een model waarbij je een bepaalde zienswijze wil opdringen. We geloven sterk dat elk van ons autonome keuzes kan maken, mits hij of zei de juiste informatie ter beschikking heeft. De uitdaging waar we nu voor staan, is om voldoende ‘patiënt emancipatie’ te creëren. Als ziekenfonds hebben we een grote rol om de zogenaamde ‘health literacy’ verder te ontwikkelen, waarbij het zorgaanbod en zorglandschap zo bevattelijk en eenvoudig mogelijk worden voorgesteld. We moeten met andere woorden dus ook beter en duidelijker gaan communiceren.”

Marc Gryseels: “Wanneer het op preventie en gezond blijven aankomt, dan speelt ook het gedeelde medisch dossier een belangrijke rol. Alle geneesmiddelen - inclusief de OTC-geneesmiddelen en de nutriënten - zouden in dit dossier moeten worden opgenomen, maar vandaag is dat nog niet het geval. Het gevolg is dat de arts geen volledig beeld heeft van welke medicijnen en gezondheidsproducten zijn patiënt gebruikt. Toch zou het weinig moeite vergen om al die producten op te nemen in de database. Het zou zelfs een verplichting moeten zijn dat ieder softwareprogramma dat elektronische voorschriften toelaat een complete database van alle CNK-producten bevat.”

Saskia Bauters: “Dat probleem kunnen we zelfs verruimen naar de behandelingen. Als we naar een écht zorgnetwerk willen, dan is het belangrijk dat men in dat dossier ook kan zien welke behandelingen iemand al heeft ondergaan in het verleden. Iedereen is het hierover eens, maar de ideale manier van werken is nog niet gevonden.”

Marc Noppen: “Het feit dat men nu veel ouder wordt met vaak meerdere chronische aandoeningen, zorgt ervoor dat vandaag vijftig procent van het budget van de gezondheidszorg naar vijf procent van de bevolking gaat. Het preventiebeleid moet zich dus ook focussen op de risicogroepen, zodat er daar meer budget vrijkomt.”

Yves Breysem: “Preventie moet meer aandacht krijgen en afgestemd worden tussen de eerste en tweede lijn. Op dat vlak gebeurt er ook al heel wat. Daarbij denk ik aan het decreet dat huisartsenkringen vraagt om samenwerkingsakkoorden af te sluiten met de ziekenhuizen. Daaraan worden kwaliteits- en resultaatsindicatoren gekoppeld om het traject en de uitkomst van de patiënt beter op te kunnen volgen en te verbeteren.”

Marleen Vanhees: “Preventie overstijgt trouwens het geheel dat te maken heeft met gezonde voeding, beweging en levensstijl. In de thuiszorg zien we bijvoorbeeld dat veel ouderen overwegen om opgenomen te worden in een woonzorgcentrum omdat veertig procent van de woningen niet is aangepast aan hun zorgnoden. Ook het aanmoedigen van zulke aanpassingen past in het kader van preventie, want dan vermijden we dat mensen in een woonzorgcentrum of in het ziekenhuis terechtkomen.”

Hoe kunnen we het grote publiek motiveren om zelf de controle te nemen over hun gezondheid?

Joeri Staessen: “Het valt ons op dat er bij bepaalde doelgroepen een enorm gebrek is aan kennis en motivatie om te investeren in een goede gezondheid. Mensen beseffen wel dat ze er individueel verantwoordelijk voor zijn, maar toch kijken ze vaak op tegen de inspanning die het vergt.”

Jo Robrechts: “Een juiste allocatie van middelen is de sleutel. Laat ons RIZIV-middelen die normaal bedoeld zijn om chronische ziekten te bestrijden ten gronde inzetten om te voorkomen dat diezelfde chronische ziekten ontstaan. Een focus op de drie belangrijkste indicatoren voor toekomstige chronische ziekten (roken, overgewicht en hoge bloeddruk) maakt ‘en passant’ dat er extra klemtoon wordt gelegd op de sociale risicodoelgroepen.”

Jos Bessemans: “Ik geloof niet in het verschuiven van RIZIV-middelen van de ziekenhuizen naar preventie. We kunnen wel in het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) inbouwen dat artsen met duidelijke gegevens aan mensen kunnen tonen waarom ze een bepaalde aandoening hebben gekregen of waarom ze een groot risico lopen om het te krijgen. Dit zou in het kader van preventie een veel grotere impact hebben.”

Marleen Vanhees: “Vandaag gaat het over een puur medisch dossier, en daar zit inderdaad nog een lacune. Zo komen wij aan huis bij diabetespatiënten en bereiden we hun maaltijden, maar we hebben geen toegang tot het medicatieschema en de voedingsadviezen. De thuiszorg zou bovendien mensen kunnen opvolgen, signalen detecteren en die terugkoppelen naar de huisarts en verpleegkundige. Om stappen vooruit te zetten in de preventie is het dus belangrijk dat ook de thuiszorg en de mantelzorg kunnen participeren in de elektronische gegevensuitwisseling.”

Marc Gryseels: “Het medisch dossier moet vollediger worden. Als bijvoorbeeld een patiënt calcium en vitamine D3 neemt om een risico op osteoporose te beperken, zou dat moeten worden geregistreerd in zijn dossier. Vandaag is dat niet het geval. Als dit in de toekomst allemaal geregistreerd zou worden, dan zou de overheid dit als criteria kunnen gebruiken om het vergoedingssysteem te herzien.”

Piet Calcoen: “Toch kunnen naast informatie ook financiële incentives een rol spelen. Zo geven verzekeraars een positieve beloning aan mensen die schadelijk gedrag stoppen en dat dan ook volhouden.”

Jo Vandeurzen: “De techniek om de zorgverleners en welzijnswerkers in te schakelen in het aansporen tot een gezonde levensstijl wordt door heel wat experts onderschreven. Er bestaan reeds projecten waarbij we de arts toelaten om een bewegingscoach voor te schrijven. Dit is trouwens een van de weinige technieken die hebben aangetoond dat ze kwetsbare groepen kunnen motiveren. Om terug te komen op de digitalisering en innovatie: we zijn stilaan in de fase gekomen waarin we mogen verwachten dat de communicatie tussen de verschillende professionele spelers digitaal verloopt. Digitaliseren is zelfs onvermijdelijk. Daarbij dient ook de link te worden gelegd - alle noodzakelijke randvoorwaarden in acht genomen - tussen het puur medische en de andere sectoren. Toch verbaas ik me er nog over dat de standaardisatie hiervan nog zo moeilijk verloopt. Het zou niet de overheid moeten zijn die dit oplegt. De sector moet gezamenlijk keuzes maken om tot een gebruiksvriendelijke en transparante standaard te komen.”

“Er moet bovendien goed worden nagedacht over wat het ziekenhuis van de toekomst is, gezien de enorme veranderingen die zich afspelen. Dit wil ook zeggen dat we best niet meer investeren in concepten die onvoldoende toekomstgericht zijn. Samen met Flanders’ Care zullen we deze oefening faciliteren.”

Marc Noppen: “Ik volg hierin volledig, maar dan zal de financiering dat ook moeten stimuleren. Ziekenhuizen hebben er momenteel nog alle belang bij om zo veel mogelijk bedden te vullen. Er is nood aan een alternatieve financiering.”

Yves Breysem: “Om het aantal ziekenhuisbedden te kunnen afbouwen, moeten we investeren in technologieën én gezondheidswerkers heroriënteren, zodat die kunnen worden ingezet in de thuiszorg. Met enkel een afbouw van het aantal ziekenhuisbedden zullen we niet veel uitsparen.”

Marc Noppen: “Bovendien is er nood aan een rechtszeker kader. We moeten goed weten waar we op lange termijn naartoe willen als maatschappij en daar de nodige architectuur voor opzetten. Uiteraard is het onmogelijk om vijftig jaar in de toekomst te kijken, maar een consequent beleid over twintig à dertig jaar moet toch kunnen.”

Piet Calcoen: “Er moeten ook duidelijke keuzes worden gemaakt over wat de overheid moet doen, en wat privaat kan worden gefinancierd. Essentiële zorg zou door de overheid moeten worden gefinancierd. De vraag is echter waar de grens ligt tussen essentiële zorg en niet-essentiële zorg.”

Welke rol kunnen ziekenhuizen in de toekomst opnemen?

Jo Robrechts: “De zorg zal in de toekomst vooral in de thuisomgeving gebeuren, en dus niet in een ziekenhuis. De rol van het ziekenhuis zal hierdoor dramatisch wijzigen. Heel wat nieuwe innovaties zullen hierbij een rol spelen: gepersonaliseerde behandelingen, microbots, pilrobotten, 3D-printing, sensoren, enz. Patiënten zullen hun gezondheidsdata zelf kunnen verzamelen in plaats van daarvoor telkens naar het ziekenhuis te moeten komen. Het ‘huispitaal’ zal het hospitaal deels vervangen.”

Jos Bessemans: “De toekomstige meerwaarde van het ziekenhuis zal zich mogelijk vooral concentreren rond noodgevallen en intensieve zorgen. De vraag is of de sector daar klaar voor is en of de overheid dan nog honderden miljoenen moet investeren in infrastructuur die mogelijk binnen enkele decennia deels overbodig is.”

Sébastien Berden: “De patiënt zal inderdaad in de toekomst meer thuis worden verzorgd, maar bij bepaalde aandoeningen is dat gewoon niet mogelijk. Een ziekenhuis zal dus altijd nodig blijven. Wel denk ik dat het ziekenhuismodel zelf grondig zal veranderen. Zo denk ik dat de huidige scheiding tussen eerste lijn en acute zorg zal vervagen. Ziekenhuizen zullen dichter bij de patiënt komen en nauwer samenwerken met zorgactoren in de eerste lijn. Dat zien we bijvoorbeeld al in Nederland waar er steeds vaker gezondheidscentra op centrale locaties in kleinere steden en dorpen worden gebouwd.”

“In deze centra vindt men huisartsen, thuiszorg, paramedici en apotheken die samenwerken met specialisten, afgevaardigd door het regionaal ziekenhuis. Ziekenhuizen trekken het initiatief om dichter bij de patiënt aanwezig te zijn en om samen met andere zorgactoren te werken aan een geïntegreerd zorgaanbod. Voor de patiënt vormt dat centrum een steun waarop hij op een geïntegreerd zorgaanbod kan terugvallen en langer thuis kan blijven wonen. Zo’n model laat ook toe om de eerste en tweede lijn dichter naar elkaar toe te laten groeien.”

Jo Robrechts: “Daarbij is er een evolutie naar echte allianties tussen gestructureerde thuisomgevingen en medische spelers zoals huisartsenkringen en hospitaalnetwerken. Hier werken we momenteel al volop aan.”

Marleen Vanhees: “In de ouderenzorg zien we sinds enkele jaren een evolutie waarbij de dagverzorgingscentra, die initieel in de context van een woonzorgcentrum werden ingericht, steeds vaker vanuit de thuiszorg worden georganiseerd. Je merkt vandaag haast niet meer dat het dagverzorgingscentra zijn. De patiënten kunnen er met de hulp van de aanwezige verzorgenden worden behandeld door hun eigen huisarts, verpleegkundige, kinesist, enz. Er is dus een duidelijke verschuiving van de instelling naar een gezinszorg in collectief verband. Om dit te verbreden zullen de diverse betrokken spelers wel beter moeten leren samenwerken en communiceren. Bovendien mogen ze niet enkel naar hun eigen belang of financiën kijken, want dan zullen we niet slagen.”

Joeri Staessen: “We staan aan de vooravond van onwaarschijnlijke coalities. De vraag is echter of alle spelers ook echt uit hun comfortzone zullen willen treden. Het beleid stelt duidelijk dat de patiënt centraal moet komen te staan, niet het systeem. We gaan van een sturing van de zorg vanuit het aanbod, naar een sturing van de zorg vanuit de vraag. We steunen deze evolutie ten volle, maar merken wel nog een belangrijke lacune: het Vlaamse zorgaanbod is complex. Patiënten hebben in deze nieuwe situatie nood aan een objectieve partner die hun zorgvraag individueel kan bekijken en adviseren. Het ziekenfonds en de zorgkas kunnen en moeten hier een echte meerwaarde bieden.”

Jo Vandeurzen: “De besturen en de directies van de zorgvoorzieningen hebben een belangrijke verantwoordelijkheid inzake zorgstrategie. Als de raad van bestuur niet de juiste omgevingsanalyse maakt, zich niet op de juiste manier organiseert en niet out-of-the-box denkt, dan zal ze in een zeer defensieve strategie terechtkomen. Sommigen beseffen bijvoorbeeld reeds dat een nieuw personeelsbeleid een van de kritische succesfactoren zal zijn om een antwoord te bieden op de nieuwe zorgvragen. Anderen denken dat het antwoord ligt in het eng verdedigen van hun eigen terrein. De regelgeving houdt hen meestal alvast niet tegen om de nodige stappen te zetten, ook niet wanneer het gaat over het creëren van duurzame samenwerkingsverbanden die geënt zijn op een logische zorgvraag.”

Zal er toch niet heel wat financiering nodig zijn voor hen om te kunnen inspelen op die nieuwe modellen?

Jo Vandeurzen: “Door een samenloop van omstandigheden bevinden we ons in een uitzonderlijke situatie. Enerzijds hebben we in Vlaanderen recent al zeer zwaar geïnvesteerd in nieuwe ziekenhuisinfrastructuur. Dit was het gevolg van de fusiebeweging in de jaren tachtig en negentig. Het resultaat van die beweging is dat we in vergelijking met andere landen zeer grote ziekenhuizen hebben die helaas vaak de neiging hebben om ongeveer hetzelfde aan te bieden. Het eerste dat op Vlaams niveau staat te gebeuren, is het geven van een forfaitaire vergoeding aan ziekenhuizen om instandhoudingswerken te kunnen uitvoeren. Dat is een belangrijke investeringssteun met weinig administratieve lasten. Hierdoor worden ziekenhuizen ook geresponsabiliseerd. Er zullen op korte termijn ook enkele dossiers rond strategische investeringssteun worden behandeld. Daarbij zal voorrang worden gegeven aan de meest urgente dossiers die niet in strijd zijn met de evoluties in de zorgsector en de nieuwe zorgstrategische visie. En uiteraard moeten ze ook passen binnen de budgettaire mogelijkheden.”

“Het stellen van de prioriteiten op dit vlak vraagt om een grondige denkoefening. Er zal out-of-the-box en op lange termijn moeten worden gedacht over toekomstbestendige modellen. Zo werd er hier reeds gesproken over een multicampusmodel met functiedifferentiatie als alternatief voor één groot ziekenhuis en over nieuwe modellen inzake integrale zorg in samenwerking met de eerste lijn. De veranderingen in het zorglandschap zijn geen lineair verhaal, maar zullen in de komende jaren tot grote uitdagingen én opportuniteiten leiden. Sommige zaken die vandaag als onmogelijk of onbetaalbaar worden gezien, zullen mits enige dynamiek en innovatiekracht toch werkelijkheid worden.”

Sébastien Berden: “Voor wat betreft de toekomstbestendige ziekenhuismodellen stellen we vast dat ziekenhuizen in deze context vaak nadenken aan fysische organisaties in de vorm een campus of netwerk van gebouwen. Ziekenhuizen nemen initiatieven om in hun directe omgeving bufferzones te verwerven en er infrastructuur te realiseren die hun flexibiliteit, operationele efficiëntie of het comfort voor de patiënt verbeteren. In andere gevallen werken ziekenhuizen samen om bijvoorbeeld gemeenschappelijke logistieke gebouwen of laboratoria te ontwikkelen.”

“Eén mogelijke out-of-the-box oplossing voor de financiering daarvan is alvast het inschakelen van de kleine belegger. Dit soort gebouwen (niet te grote gebouwen en fysisch gescheiden) lenen zich uitstekend voor een financiering via het grote publiek. Het succes van de obligatieplaatsing van de VUB of van de Gereglementeerde Vastgoed Vennootschappen (de vroegere ‘Bevaks’) bewijst dat het grote publiek steeds interesse toont om zich voor maatschappelijk zinvolle infrastructuurprojecten te mobiliseren, zolang dat kan in een gereglementeerde en gecontroleerde omgeving.”

Jo Robrechts: “Laat ons tot slot ook een ingrijpende denkoefening lanceren over toekomstige woonzorgvormen. Modellen die oog hebben voor autonomie in een gezondheids- en zorgomkaderende omgeving, betaalbaar voor de Vlaming en met een beperktere overheidskost.”