De overheid speelt alvast een cruciale rol in deze transitie. Daarom gaat Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen in gesprek met 11 topmanagers uit de zorgsector.

Wat zijn vandaag de grootste uitdagingen voor de zorgsector in Vlaanderen?

Eric Luyckx: “Een van de grootste uitdagingen is dat Vlaamse ziekenhuizen zich zullen moeten aanpassen aan de vele wetenschappelijke doorbraken waar we voor staan, zoals die rond het menselijk genoom en de verschillende types van kanker die zullen kunnen worden behandeld. Daarbovenop komen er alsmaar sneller nieuwe technologieën ter beschikking.”

Gust Rector: “Vaak wordt bij innovaties in de zorgsector vooral aan de somatische zorgen gedacht, maar ook de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) wordt alsmaar belangrijker in onze complexe maatschappij. De uitdaging is dus om die GGZ nog meer op de kaart te zetten en te tonen dat er ook daar heel wat vernieuwingen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de vermaatschappelijking van de zorg.”

“Deze vermaatschappelijking staat nu erg op de voorgrond. Daarbij verdwijnt wat uit het zicht dat er ook al heel wat goede behandelingen, richtlijnen en protocollen voorhanden zijn die voortvloeien uit wetenschappelijk onderzoek. Naast de vermaatschappelijking zien we ook de ‘verwetenschappelijking’ in de GGZ groeien.”

Dirk Ramaekers: “We moeten bij al die innovaties wel het kaf van het koren scheiden. Onze ziekenhuizen krijgen onder de koepel van innovatie heel wat nieuwe technologieën aangeboden, maar helaas zijn onze middelen ook beperkt. We zullen met een beperkt budget dus moeten inzetten op die technologieën die écht een verschil maken voor de patiënt.”

Marnix Goethals: “Er is een trend naar een concentratie van zorg en netwerkvorming tussen ziekenhuizen. Toch blijft er absoluut ook een nood aan acute regionale ziekenhuizen. De vraag is hoe we die zullen valoriseren?”

Johan Decruyenaere: “Naast de verouderende bevolking zullen er alsmaar meer chronische zieken zijn. De vraag naar zorg stijgt dus, maar onze budgetten blijven wel gelijk. Enerzijds kunnen we dit beantwoorden door de zorg voor een stuk te verplaatsen naar de eerstelijnszorg. Anderzijds moeten we af van de redundantie. Hoewel de meeste ziekenhuizen behoorlijk efficiënt werken, bieden ziekenhuizen die geografisch dicht bij elkaar liggen toch vaak dezelfde zorgen aan. We moeten dus zoeken naar een betere verdeling.”

Marc Noppen: “Conceptueel moeten we de focus verleggen van ‘ziektezorg’ naar ‘gezondheidszorg’. Momenteel gaat 98% van de budgetten voor onderzoek naar ziektezorg, en maar 2% naar onderzoek met betrekking tot gezondheidszorg en preventie. Dat is jammer als je weet dat we maar liefst een derde van die dure kankers kunnen vermijden dankzij preventie. Dit vereist dan wel een oefening van horizontale integratie, die niet gemakkelijk is in de verticale versnippering die we nu kennen.”

Ludo Van Kets: “Het gaat trouwens niet enkel over zorg, maar ook over welzijn. Er zijn veel raakvlakken tussen beide. Daarnaast zien we dat de patiënt meer zijn plaats heeft ingenomen. We zijn nu geëvolueerd naar een bijna zakelijke relatie tussen de ‘klant’ en de zorgverstrekker, neigend naar een resultaatsverbintenis.”

Herman Van der Mussele: “De patiënt wordt geresponsabiliseerd en krijgt daarvoor hulpmiddelen die hem helpen om zijn gezondheidszorg mee te sturen. De rol van de zorgverstrekker verandert hierdoor echter ook, en dat vraagt om de nodige opleidingen en verschuivingen qua functies en nieuwe rollen.”

Peter Lauwyck: “Op technologisch vlak is er zeker nog een efficiëntieverbetering mogelijk, vooral op het vlak van communicatie en informatiedeling tussen eerste en tweede of derde lijn. We moeten naar systemen die met respect voor de regels van de privacy open zijn en door alle zorgverstrekkers gedeeld worden. Op deze manier kan de zorg efficiënter worden georganiseerd. Denk maar aan de registratie van thuismedicatie bij een opname in het ziekenhuis die momenteel te wensen overlaat.”

Johan Decruyenaere: “De patiënt moet, naast alle betrokken zorgverstrekkers, inzage krijgen in al zijn medische documenten. We mogen volgens mij onze patiënten echter niet te veel zien als ‘klanten’, zeker niet nu er alsmaar meer technologie voorhanden is. Het gaat over veel meer dan een zakelijke relatie. De menselijke benadering gebaseerd op vertrouwen, waarin we vandaag zeer sterk scoren, moet absoluut bewaard blijven.”

Sofie Blancquaert: “Een van de grote uitdagingen voor de Vlaamse zorgsector is dat ons zorglandschap vandaag toonaangevend, doch tegelijk bijzonder complex is door de variëteit aan zorgaanbieders. Het revalidatieaanbod alleen al kent verschillende niveaus. Hoe complexer de revalidatiebehoefte, hoe gespecialiseerder de revalidatie en hoe belangrijker om te centraliseren.”

“Rekening houdend met de schaarse overheidsmiddelen moeten we zorgstrategisch in functie van kwaliteit, expertise en innovatieve zorg voor elke patiënt evenwel zeer snel kunnen schakelen in performantie, in het verduidelijken van de rol van elke aanbieder binnen een (supra)regionaal zorgnetwerk en in het zo doelmatig mogelijk aanwenden van middelen, willen we als regio of land niet uit de markt geconcurreerd worden.”

“Medische innovatie betekent niet alleen nieuwe technologie, maar kan zich evenzeer vertalen in een nieuwe aanpak op het vlak van zorgmodellen. Dé toegevoegde waarde van de revalidatiesector is dat zij als ‘centers of excellence’ innovatief zijn in het zoeken naar manieren om mensen een maximale levenskwaliteit te bieden en hen terug een volwaardige rol in de maatschappij te laten opnemen. Optimale vroegdetectie van de revalidatienoden is een cruciale voorwaarde, wil een patiënt in de revalidatiesetting terechtkomen met de beste outcome.”

“Er liggen nog veel opportuniteiten voor optimalisatie van de geïntegreerde ketenzorg. Als revalidatieziekenhuizen willen wij alvast onze kennis en expertise delen met alle andere revalidatieaanbieders en in zorgnetwerken een schakel vormen van innovatieve revalidatie.”

Gust Rector: “Dit geldt evenzeer voor de ouderenzorg. Ouderen vinden we niet enkel in de woonzorgcentra. Hun aantal groeit ook in de algemene ziekenhuizen, de geestelijke gezondheidszorg, de thuiszorg, enz. Bovendien, hoe ouder men wordt, hoe meer, langdurigere en complexere gezondheidsproblemen men krijgt. Dit opvangen is financieel en organisatorisch een enorme uitdaging.”

Christophe Mouton: "Ik vind het een enorme uitdaging om internationaal te blijven meetellen. Met Flanders’ Care en MedTech Flanders zijn er in Vlaanderen alvast goede initiatieven om innovatie te stimuleren binnen de Vlaamse gezondheidszorg. Hoewel onze gezondheidszorg erg toegankelijk is, scoren we ten opzichte van sommige andere Europese landen toch minder goed op vlak van kwaliteit en de introductie van nieuwe geneesmiddelen. We moeten dit opkrikken om internationaal relevant te blijven.”

Dirk Ramaekers: “Anderzijds moeten we wel erkennen dat er vandaag heel wat gunstige evoluties plaatsvinden, ook beleidsmatig. De eerstelijnszorg begint zich eindelijk goed te organiseren, en ziekenhuizen beseffen stilaan dat ze sommige zaken zullen moeten afstaan. Toch moeten we nog wat af van de paternalistische instelling en de patiënt mee laten sturen. Nu zal ook het debat losbarsten over de rol van de verschillende ziekenhuizen in de netwerken, wat hun aanbod dan zal zijn, voor hoeveel ziekenhuizen er plaats is, enz.”

Marc Noppen: “Twee jaar geleden is er een studie verschenen over het gebruik van de Belgische ziekenhuisbedden. Daaruit bleek dat 30% van onze bedden verkeerd worden gebruikt. We hebben dus momenteel een teveel aan capaciteit. De vraag is wat het alternatief is. In onze buurlanden zien we bijvoorbeeld dat de capaciteit wordt afgebouwd, maar dan moeten we ook wel een oplossing vinden voor de patiënten die niet meer terechtkunnen in het ziekenhuis.”

Is er een nood aan meer spelregels vanuit de overheid?

Johan Decruyenaere: “De overheid vraagt ons terecht om netwerken te vormen en onderling afspraken en verdelingen te maken rond het aanbod van zorg. Het is echter belangrijk dat de overheid hier snel de grote spelregels vastlegt en dus niet de logica van de markt vrij spel blijft geven. Want kan men het anders de ziekenhuizen, diensten en artsen kwalijk nemen dat ze zich primair zo positioneren opdat hun volume en inkomen op peil blijft?”

“Te veel regels van bovenaf hoeven ook weer niet, omdat er ook een draagvlak van de zorgsector zelf nodig blijft. Maar basisregels vanuit de politiek, die nu nog grotendeels ontbreken, zullen een snellere en betere dynamiek in het netwerkproces creëren.”

Jo Vandeurzen: “Naast het Vlaamse niveau spelen nog heel wat andere overheden een rol. Het komt erop aan om hier een gestroomlijnde actie van te maken die iedereen kan vertalen in zijn eigen bevoegdheden. We moeten inderdaad naar een meer proactieve gezondheidspromotie en ziektepreventie, maar dat kan je niet altijd zomaar vertalen in één exclusieve bevoegdheid.”

“Er is een breed spectrum dat ertussen zit, gaande van vroegdetectie, screening, vaccinatie tot zware curatieve behandelingen. Er is ook een toenemende vraag naar chronische een geestelijke zorg, onder meer door de vergrijzing. Velen willen die bovendien via de thuiszorg krijgen. Technologie kan hierbij ondersteunen.”

“We moeten ons realiseren dat onze gezondheidszorg historisch is gegroeid, en dat maakt bijvoorbeeld dat de somatische en geestelijke zorg ooit zijn gescheiden. We kunnen ons afvragen of dat optimaal is, en of het niet beter multidisciplinair zou worden bekeken. Daarnaast wordt kwaliteitsvolle zorg al lang niet meer puur medisch gedefinieerd. Ook welzijnsaspecten spelen mee. Levenskwaliteit is het ijkpunt.”

“Qua innovaties is er een gedeeld inzicht dat we niet enkel moet investeren in nieuwe behandelingen en technologie, maar ook in processen. Bovendien moeten we rekening houden met de consequenties daarvan in onze organisatiemodellen en de manier waarop we de zorg aanbieden. Ons land heeft in vergelijking met andere landen alvast een kwalitatieve en zeer toegankelijke gezondheidszorg. We moeten opletten dat we door de wet van de remmende voorsprong niet moeilijker gaan innoveren.”

“Klassiek proberen we als overheid via programmatie, erkenningsnormen en financiering de ontwikkeling van de zorg te sturen. Toch moeten we rond heel wat zaken die zonet werden aangehaald doorbraken realiseren. Het antwoord op de huidige uitdagingen ligt alvast niet in ‘meer van hetzelfde’. We proberen alvast duidelijk te maken dat het niet verder kan zoals nu, waarbij veel ziekenhuizen elkaar beconcurreren omdat ze allemaal hetzelfde doen en ambiëren.”

“We moeten naar meer integratie en samenwerking tussen de somatische en geestelijke gezondheidszorg. Ook de revalidatiesector moet hierin een plaats krijgen, want met de toename van het aantal chronische patiënten wordt ‘care’ minstens even belangrijk als ‘cure’. Dit moeten we meenemen in onze manier van organiseren. Er zijn heel wat transities in gang gezet, maar de vraag blijft op welke incentives we kunnen doorzetten.”

Gust Rector: “De samenwerking tussen de algemene en de geestelijke ziekenhuizen is absoluut een goede suggestie. Als we de internationale vergelijking maken, wordt in ons land een relatief kleiner deel van het budget voor gezondheidszorg besteed aan geestelijke gezondheidzorg. Een verschuiving van de middelen zou dus terecht zijn, wetende wat er op ons afkomt. Maar de algemene ziekenhuizen moeten dan ook goed weten dat er psychiatrische ziekenhuizen en GZZ-netwerken bestaan en dat er dus mogelijkheden zijn om samen te werken en de zorg af te stemmen.”

Herman Van der Mussele: “Er vinden alvast heel wat experimenten plaats waarbij partners elkaar proberen te vinden in een groter geheel. Maar dat is uiteraard een leerproces en er is ook een aangepast juridisch kader voor nodig. In dit trage proces moeten we de barrières die we tegenkomen samen proberen op te lossen.”

Christophe Mouton: "In ons huidig financieringssysteem van prestatiegeneeskunde wordt kwaliteitsvol werken niet gestimuleerd. Er moet een incentivering komen van kwaliteit gebaseerd op klinische outcomes."

Jo Vandeurzen: “De vraag is hoe we kwaliteit transparant en zichtbaar kunnen maken. Vooral in de eerste lijn is dit een hele uitdaging omdat er daar tot nu toe vooral met prestaties wordt gerekend en er heel wat multidisciplinariteit bij komt kijken.”

Ludo Van Kets: “Heel wat ziekenhuizen proberen alvast met alle mogelijke partners in de regio samen een zorgstrategisch plan uit te werken. Ze beseffen immers dat er een evolutie is waarbij steeds meer zorg en opvolging buiten het ziekenhuis worden toegediend.”

Jo Vandeurzen: “Net daarom willen we duidelijk definiëren wat de functies zijn van basisspecialistische ziekenhuisfuncties ter ondersteuning van de eerste lijn. Daarbij moet ook de eerste lijn beseffen dat ze zich hierop moeten organiseren. Dat wil echter niet zeggen dat ziekenhuizen de taken van de eerste lijn moeten overnemen, beide moet net complementair en versterkend werken.”

Peter Lauwyck: “Er is echter koudwatervrees bij sommige betrokkenen over hun rol in de toekomst. De uitdaging bestaat erin om een veilige omgeving te creëren voor artsen en personeel, zodat er een grotere dynamiek kan ontstaan.”

Sofie Blancquaert: “De revalidatiesector heeft samen met de koepel van ziekenhuizen Zorgnet-Icuro alvast vele inspanningen gedaan in het ontwikkelen van een coherent revalidatieconcept. De sector dringt bij de overheid nu snel aan op middelen die nodig zijn voor een eigen patiënten-classificatiesysteem, om revanoden te meten, op te sporen en te koppelen aan de revalidatiedoelstellingen.”

“Dergelijk systeem verantwoordt het behandelingsniveau waarbij de juiste patiënten in het juiste bed terechtkomen. Er is door de nieuwe structurele en financiële hervormingen bij de overheid en de huidige goodwill in de sector nu een momentum. We kunnen ons dus niet langer permitteren om te wachten.”

Ludo Van Kets: “Er wordt al 15 jaar gepraat over een hertekening van het revalidatielandschap en een classificatiesysteem waaraan een rugzakfinanciering verbonden is, tot op heden zonder resultaat.”

Jo Vandeurzen: “Voor veel van deze zaken is de Vlaamse Gemeenschap nog maar anderhalf jaar bevoegd. Het neemt dus enige tijd in beslag om te bevatten hoe alle financieringstechnieken in elkaar zitten. Dat is complex, maar we alvast hebben de ambitie om vanuit patiëntenperspectief alles te vereenvoudigen. Een onderbouwde en geïntegreerde visie vraagt tijd. Ook de eerste lijn moet daarin worden opgenomen.”

“De ziekenhuizen moeten zelf de vrijheid krijgen om hun eigen prioriteiten en visies te ontwikkelen, zonder dat dat telkens moet worden teruggekoppeld worden naar de overheid. Men moet innovaties binnentrekken op het moment dat men grote strategische investeringen moet doen.”

Marnix Goethals: “Er is alleszins nood aan krijtlijnen en sturingsinstrumenten. Maar deze sturing dient dan, gezien de regionale samenwerking, niet enkel op ziekenhuisniveau te gebeuren, maar ook met betrekking van de eerste lijn.”

Wat zijn de evoluties op het vlak van de digitale transformatie van de sector?

Jo Vandeurzen: “Er zijn heel wat mogelijkheden, denk maar aan het delen van gegevens tussen verschillende actoren binnen de welzijns- en zorgsector. Maar dat moet dan wel op een gebruiksvriendelijke en geïntegreerde manier kunnen en door alle stakeholders worden opgenomen. We bevinden ons aan de vooravond van een doorbraak.”

Dirk Ramaekers: “Er zijn nog maar enkele ziekenhuizen echt bezig met digitale integratie. Dat is een moeizaam proces omdat ook de link moet worden gelegd naar de eerste lijn en de patiënt. Bovendien moeten we toegeven dat de sector zelf lang de vrijheid heeft gekregen, maar er niet veel van heeft gebakken. We moeten daarin zelf onze verantwoordelijkheid nemen. Sommige ziekenhuizen hebben zelfs nog geen elektronisch patiëntendossier (EPD), ofwel kan het niet worden geïntegreerd met nieuwe technologieën.”

Johan Decruyenaere: “Er zijn heel was positieve voorbeelden van connectiviteit en integratie tussen verschillende hospitaalsystemen. We merken alvast dat er heel wat mogelijkheden zijn, ook qua goodwill. Zo hebben wij bijvoorbeeld het CoZo platform uitgerold dat 76 zorginstellingen en honderden huisartsen verbindt. Daarmee kunnen laboresultaten, scans, ontslagbrieven en andere patiëntengegevens worden gedeeld en geconsulteerd, mits een expliciet akkoord van de patiënt.”

“Het platform bevat ook al een ‘mobile health’-app waarbij de huisarts bijvoorbeeld thuis bij de patiënt de gegevens van het ziekenhuis kan raadplegen. Er is tevens een patiëntenportaal voor het doorgeven van informatie van de patiënt naar het ziekenhuis. Toch zouden nog meer ziekenhuizen moeten inzetten op de nieuwste mogelijkheden rond het delen van patiëntengegevens. De tijd is er rijp voor en de technologie is er.”

Gust Rector: “Er is ook nood aan een context om dit goed te kunnen gebruiken. Wie krijgt toegang tot welke gegevens? Hoe kunnen zorgverleners verantwoord omgaan met die gedeelde informatie? Patiënten met psychiatrische problemen hebben weerstand om hierover gegevens te delen met andere zorgverleners. Ze vrezen dat de beeldvorming over hen hierdoor negatief zal worden beïnvloed.”

Marc Noppen: “Er bestaan tienduizenden apps die zich richten op de gezondheidszorg, maar slechts een honderdtal zijn ook echt gevalideerd door de medische wereld. Dat wil zeggen dat alle andere apps slechts gadgets zijn. De patiënt moet dat ook weten en er moeten duidelijke spelregels komen. Maar deels zal die markt zich op termijn ook vanzelf uitklaren.”

Dirk Ramaekers: “Er wordt vaak gezegd dat er extra geld nodig is om de kwaliteit te kunnen verbeteren. We moeten het echter andersom zien. Goede kwaliteit bespaart geld. In Vlaanderen hebben we een hele evolutie gezien waarbij de meerderheid van onze ziekenhuizen sterk zijn gaan inzetten op een kwaliteitsbeleid. Ook dat is innovatie. Nu moet er nog meer onderscheidend vermogen ontstaan. Enkel zo kunnen ziekenhuizen elkaar versterken in een netwerk.”

Eric Luyckx: “De Vlaamse Overheid heeft een aantal krachtige instrumenten (spelregels, incentives, planning, erkenning en financiering) om de samenwerking in goede banen te leiden. Op het vlak van digitale transformatie zou het goed zijn dat de universitaire centra, die vaak ontwerper zijn van EPD’s, de koppen bij elkaar steken om verdere wildgroei te voorkomen. De Vlaamse markt is te klein voor 6, 7, 8,… verschillende EPD’s.”

Marc Noppen: “Momenteel worden ziekenhuizen echter nog vooral geïncentiveerd om volume te halen. We moeten dus meer naar een value based healthcare.”

Johan Decruyenaere: “Er moet ook een draagvlak voor bestaan. Je kan er niet zomaar vanuitgaan dat ziekenhuizen elkaar zullen vinden. Hoewel er heel wat besef is over wat er nodig is, zijn er toch bepaalde incentives nodig om dit draagvlak te creëren en de defensieve positie van sommigen te doorbreken.”

Peter Lauwyck: “Er zullen inderdaad incentives nodig zijn om structurele samenwerkingen te faciliteren, maar ik vrees dat ook een stringentere sturing van de overheid onvermijdelijk zal zijn.”

Jo Vandeurzen: “Hoewel we hier heel wat uitdagingen hebben besproken, moeten we ook steeds goed blijven beseffen dat de gemiddelde Vlaamse patiënt erg tevreden is over onze gezondheidszorg. Er is een grote toegankelijkheid en ook het vlak van innovaties doen we het goed. Bovendien merk ik hier vandaag dat er een sterk bewustzijn is dat bepaalde evoluties noodzakelijk zijn. Het is nu zoeken naar de juiste incentives om dit momentum voluit te benutten en de nodige stappen te faciliteren.”