Redenen genoeg dus om twaalf experten uit de sector in gesprek te laten gaan met Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

 

Wat zijn vandaag de grootste uitdagingen binnen de gezondheidszorg?
 

Saskia Bauters: “We merken dat er vandaag heel wat beweegt in de gezondheidszorg. Zo zijn er bijvoorbeeld de vergrijzing en de toename van het aantal patiënten met een chronische ziekte, wat aanleiding geeft tot een wijziging in het soort zorg waar patiënten nood aan hebben. Ook de netwerkvorming en de technologische evolutie zullen een impact hebben. Daarbovenop zijn er de wijzigingen in de manier waarop de zorgsector in de toekomst zal worden gefinancierd.”

“In dat kader gebeuren er vandaag heel wat investeringen in de sector. Vaak zijn dat ook een ander soort investeringen dan in het verleden, zoals investeringen in bijvoorbeeld het elektronisch patiëntendossier. Het komt er dus voor ons op aan om al deze bewegingen goed te begrijpen, de belangrijkste uitdagingen te identificeren en samen met de zorgsector na te denken over hoe we de financiering van de sector in de toekomst kunnen blijven ondersteunen.”

Eric Mortier: “Binnen een budget dat de afgelopen jaren relatief stabiel is gebleven, staat de versnippering een gezonde herverdeling in de weg. Zo is er het preventieve vs. het curatieve, het residentiële vs. het ambulante, enz. Er zijn vanuit het beleid al heel wat inspanningen geleverd, maar toch hebben we nog een weg af te leggen zodat het beleid over de volledige breedte transversaal consistent blijft. Pas dan kunnen we veel geld besparen dat vervolgens kan worden herverdeeld. Nu is alles nog teveel gecompartimenteerd.”

Jo Vandeurzen: “Er is een transitie aan de gang. Onze ziekteverzekering is ooit gebouwd vanuit de redenering om op een betaalbare en kwalitatieve manier mensen toegang te geven tot zorg, zodat ze kunnen genezen. De zorgvragen veranderen nu echter. Er is bijvoorbeeld een grotere vraag naar langdurige vormen van ondersteuning, begeleiding bij chronische ziekten, geestelijke gezondheidszorg, ouderenzorg, enz. De grenzen tussen zorg en welzijn vervagen, de focus verbreedt van pure genezing naar meer levenskwaliteit, en bij veel van deze veranderende vragen zijn meerdere bestuursniveaus betrokken. De vraag is of ons goed ontwikkelde systeem de dynamiek zal vinden om de wet van de remmende voorsprong te overstijgen. Op het terrein gebeurt er alvast heel wat om dat waar te maken.”

Raoul De Cuyper: "De finaliteit van de gezondheidszorg en de financiering ervan zou gericht moeten zijn op het gezond houden van mensen, en in laatste instantie om te genezen. Dat kan het best door de huidige compartimentering te overbruggen en het vlot schakelen tussen de verschillende zorgsystemen - a priori de gezondheidszorg en de welzijnszorg - mogelijk te maken.”

“Voor de sector geestelijke gezondheidszorg impliceert dat het samenwerken met de verschillende zorgactoren binnen een authentiek integratief model. Tevens is er de absolute nood aan verbinding van de psychische en de somatische zorg. Dat impliceert de integratie van de geestelijke gezondheidszorg binnen de op stapel staande klinische netwerken en eerstelijnszorgregio's.”

 

Hoe ervaren de verschillende actoren binnen het zorglandschap de huidige evoluties?
 

Luc Bulckens: “Binnen de ouderenzorg zijn er vanuit de overheid alvast heel wat inspanningen geleverd om de capaciteit op te trekken. Nu staan we voor de uitdaging om ook de financiering van die uitgebreide capaciteit tegen het licht te houden en verschillen weg te werken. Ook zien we heel wat uitdagingen in de samenwerking tussen de thuiszorg en de residentiële zorg. Zo behoort de gemiddelde verblijfsduur van woonzorgcentra in Vlaanderen tot één van de langste in West-Europa. We zien dus nog heel wat mogelijkheden.”

Marc Noppen: “Intern moeten we als ziekenhuis omgaan met acht opeenvolgende jaren van budgetvermindering in combinatie met een stijgende zorg- en kwaliteitsvraag. Daarnaast is er de stijgende werklast en is het een uitdaging om onze drie opdrachten (zorg, opleiding en research) te blijven garanderen. Extern is er een nog onduidelijk lange termijn model. Bovendien focussen de incentives nog te veel op het ‘repareren’ in plaats van het voorkomen. Ook zijn er de verticale versnippering en de nood aan integratie. Vanuit het perspectief van de patiënt komt het evenwicht tussen service, kwaliteit en kostprijs dan weer in het gedrang.”

Willy Vertongen: “Vanuit de thuiszorg is het belangrijk dat de betaalbaarheid voor zowel patiënt als zorgverlener gegarandeerd blijft. We staan momenteel in een spreidstand waarbij we deels vanuit het RIZIV en deels vanuit Vlaanderen worden gefinancierd. Gelukkig is er een beweging aan de gang om deze twee naar elkaar toe te brengen. Een andere belangrijke uitdaging is de uitwisseling van data. Er zijn heel wat verschillende softwarepakketten voor elektronische patiëntendossiers op de markt die niet altijd met elkaar communiceren. Er zijn hiervoor heel wat verschillende pakketten op de markt die niet steeds met elkaar communiceren.”

“Vanuit de ziekenhuizen is er alvast heel wat gebeurd om de dataoverdracht naar aanleunende groepen te realiseren, maar naar de thuiszorg toe is er nog een grote leemte. De transmurale en multidisciplinaire samenwerking met de thuiszorg is nochtans een belangrijke opdracht, want heel wat zorgaspecten worden hiernaar doorgeschoven. Het is voor ons bovendien een uitdaging om specifieke en meer technische zorg naadloos te laten overgaan van het ziekenhuis naar de thuiszorg, en waar nodig vice versa.”

Hans Struyven: “De afgelopen jaren hebben de regionale ziekenhuizen een belangrijke uitdaging opgenomen, met name de verbetering van de kwaliteit van de zorg. Vlaamse ziekenhuizen hebben door het succesvolle accrediteringstraject het afgelopen jaar alvast een grote inhaalbeweging gemaakt. Ook de kleinere regionale ziekenhuizen hebben getoond dat er een hoge kwaliteit van zorg geleverd wordt. Wijzelf zijn alvast door een heel veranderingstraject gegaan, dat de kwaliteit zeker ten goede is gekomen.”

“Een bijkomende uitdaging is een verhoging van de efficiëntie en de inzet van middelen. Hier zal de opzet van een samenwerking in ziekenhuisnetwerken de volgende opdracht zijn. Regionale ziekenhuizen zijn bovendien het best geplaatst om samen met de eerste lijn en de welzijnssector een optimale en transmurale zorg aan te bieden, ook binnen het kader van vergrijzing, multimorbiditeit en kansarmoede.”

Marleen Vanhees: “In de gezinszorg krijgen we dan weer vooral te maken met de vergrijzing en de vermaatschappelijking van de zorg. Steeds meer zorg gebeurt buiten de muren van het ziekenhuis of de instelling. Dat is een positieve ontwikkeling, maar het zorgt er ook voor dat nieuwe doelgroepen ons vinden. Het is dan ook een uitdaging om voldoende capaciteit en kwaliteit te kunnen bieden. Daarnaast is het belangrijk om niet alleen de patiënt met zijn ondersteuningsnoden, maar ook de mantelzorgers centraal te stellen in de aanpak. Bovendien moeten we hen voldoende inspraak en ondersteuning geven.”

 

 

Hoe kunnen we komen tot een gezond en betaalbaar evenwicht in de zorgsector?
 

Christophe Mouton: “De driehoek ‘technologie, betaalbaarheid en ethiek’ moet in evenwicht blijven. Onlangs hoorden we in de media dat het nu al mogelijk is om van huidcellen zowel zaadcellen als eicellen te maken, maar hoe zit het dan met de betaalbaarheid en de ethiek? Een andere driehoek betreft ‘zorgverstrekker, overheid en industrie’. Heel wat innovatieve ontwikkelingen worden niet terugbetaald, terwijl dat bij klassieke behandelingstechnieken wel zo is. Het beleid van de overheid op dat vlak zal bepalen hoe ons gezondheidsbeleid er in de toekomst zal uitzien.”

Luc Colemont: “In Europa gaat 3% van het gezondheidsbudget naar preventie. In België is dat 2,9%. Ik hoop dus dat we net zoals Nederland kunnen evolueren naar 5% om zo tot de top drie in Europa te behoren. We mogen en moeten ambitieuzer zijn op dat vlak. Het is bewezen dat dit kostenefficiënt én kostenbesparend is. Qua diagnose en behandeling doen onze Vlaamse ziekenhuizen het gelukkig zeer goed. Een betere zorg (accreditatie) is echter niet noodzakelijk een garantie voor een betere geneeskunde.”

“We moeten er als artsen over blijven waken dat niet het computerscherm maar de patiënt centraal staat in ons werk. Ik maak me soms zorgen over de ‘click-geneeskunde’. Bovendien swingen de prijzen van nieuwe behandelingen vaak de pan uit, terwijl de succesrate soms veel lager ligt dan wat men hoopt of denkt. De patiënten moeten hierover correct worden ingelicht. Informatie en voorlichting zijn cruciaal: openbare media moeten meer aandacht besteden aan gezondheid. Het moet niet alleen van sociale media komen.”

Stefaan Gielens: “Als zorgvastgoedinvesteerder merken we dat de hele zorgsector voor een efficiëntie-oefening staat. De collectieve financiering kan immers niet meer eindeloos blijven groeien, wat een enorme druk legt op de sector. Vaak resulteert dat in een debat over de kerntaken. Zo betekent een investering in preventie volgens velen ook een vermindering van budgetten op andere domeinen. Sommige tussenschotten zullen moeten verdwijnen en er zullen initiatieven moeten ontstaan die door de verschillende financieringsvormen heen gaan. Een goed voorbeeld hiervan zijn de thuiszorg en de residentiële zorg die alvast naar elkaar toegroeien.”

Koen Ickroth: “Heel wat uitdagingen die hier net zijn aangehaald doen ons vaststellen dat ook wij onze verantwoordelijkheid moeten nemen, naast het puur realiseren van gebouwen. Hierbij moeten we vertrekken vanuit een grondig marktonderzoek, zodat de projecten ook effectief worden gedragen en betaalbaar zijn. Die betaalbaarheid moet zowel gelden op het vlak van het vastgoed als de dienstverlening. We hebben immers de verantwoordelijkheid om het project in zijn geheel te laten kloppen.”

“Ook vanuit assistentiewoningen kunnen er initiatieven worden genomen om bewoners goed op te volgen en te ondersteunen. Woonzorgcentra moeten zich steeds meer richten op zwaar hulpbehoevenden. Op termijn zullen dus ook assistentiewoningen zwaardere zorgprofielen moeten kunnen huisvesten en hen voldoende levenskwaliteit moeten kunnen bieden. Het is voor ons dus een uitdaging om een totaalproject naar buiten te brengen dat aan al deze aspecten kan beantwoorden.”

 

Wat is de impact van preventie op de kosten en de werking van de gezondheidszorg?
 

Luc Colemont: “Preventie is niet enkel kostenbesparend, maar brengt ook geld op. We moeten er dus absoluut meer aandacht aan besteden.”

Eric Mortier: “Eén van de belangrijke drivers is hoe mensen aangesproken worden door partijen die er soms commerciële belangen bij hebben. De grote hypes in de geneeskunde zijn vaak leugens. Zo staat bijvoorbeeld de precisiegeneeskunde momenteel nog lang niet zo ver als sommigen willen doen uitschijnen. Dat is ook zo bij technologie, waar soms veel in wordt geïnvesteerd, maar waarvan de outcome vaak niet eens is vastgesteld. Toch wordt het maar al te graag geloofd door de burger, want het vereist weinig participatie. Die situatie moeten we omdraaien: in plaats van te investeren in dingen die mogelijk niets opbrengen, moeten we onze beperkte middelen investeren in een segment waar wel participatie vereist is. Hierbij is gezondheidspromotie van cruciaal belang, want iedereen draagt dan verantwoordelijkheid.”

Marc Noppen: “In Schotland is men erin geslaagd om kinderovergewicht en -diabetes tot bijna nul te herleiden door kinderen bij het rinkelen van de schoolbel tweemaal rond het schoolplein te doen lopen. Momenteel gaat de helft van ons volledige gezondheidszorgbudget naar 5% van de bevolking. Door hier 4% van te maken, kunnen we miljarden euro’s vrijmaken. Heel wat oorzaken van vroegtijdig overlijden kunnen perfect worden aangepakt, en dat hoeft niet noodzakelijk veel geld kosten.”

Jo Vandeurzen: “Toch wil ik graag tegen de onderliggende toon ingaan dat dit niet zou gebeuren. Onze screening- en vaccinatieprogramma’s zijn een ongelooflijk succes en horen internationaal bij de besten. We kunnen natuurlijk wel altijd nog verder gaan. Bovendien is het haast onmogelijk om te vergelijken, want het budget dat besteed wordt aan preventie wordt in ieder land anders gedefinieerd. We willen mensen in ieder geval aanzetten tot het maken van de juiste levensstijlkeuzes, dat doen we door in verschillende levensdomeinen zoals gezin, werk, onderwijs, enz. een beroep te doen op verschillende stakeholders om vooruitgang te boeken. Bovendien moet het resultaat hiervan kunnen worden aangetoond.”

“Er gebeurt dus al heel wat, maar we mogen daarbij niet enkel naar de budgetten kijken. Het moet immers van verschillende hoeken komen. Ik ben het ermee eens dat investeringen in preventie opbrengen, maar helaas kan het effect moeilijk worden gemeten. De effecten kunnen zeer moeilijk in een causaal verband worden gelegd en bovendien zijn het langetermijneffecten waarin zeer veel factoren een rol spelen. Het doel is trouwens om de levenskwaliteit te verhogen, niet om het geld te laten opbrengen.”

Luc Colemont: “Het gaat bovendien niet enkel om de levenskwaliteit van de patiënt, maar ook om die van de naasten die evenzeer getroffen zijn. Het globale leed moet worden teruggedrongen, en dat kan niet worden becijferd.”

Jo Vandeurzen: “De vraag is of alle stakeholders mee willen gaan in het verschuiven van een deel van de budgetten van curatie naar preventie. In theorie zijn ze wel te vinden voor meer preventie, maar wanneer dat raakt aan ‘ons’ budget zijn we vaak al heel wat minder enthousiast.”

Marleen Vanhees: “Een belangrijk item waar preventie nog tekortschiet en waar domeinoverschrijdende inzet nodig is, betreft de ‘onaangepastheid’ van veel woningen. Veel ziekenhuisopnames van bejaarde mensen zijn namelijk het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg van een onaangepaste woning. Dat valt echter zowel binnen het overheidsdomein ‘wonen’ als ‘welzijn’, en dat is niet bevorderlijk om de aandacht hiervoor optimaal vorm te geven. Toch is het een problematiek die wij dagelijks ondervinden in de thuiszorg en die ook het werk van onze verzorgenden ernstig belemmert.

Willy Vertongen: “De discussie over preventie is vaak nogal gepolariseerd en gaat doorgaans niet over secundaire en tertiaire preventie. Bij mensen die al ziek zijn, moeten we nochtans absoluut voorkomen dat hun situatie nog verergert. Dat neemt uiteraard niet weg dat primaire preventie belangrijk is. Zorg en preventie worden een verhaal van samenwerking tussen klassieke organisaties en ethische zorgondernemers die elkaar aanvullen.”

Raoul De Cuyper: "Preventie is uiteraard ook van cruciaal belang binnen het werkveld van de geestelijke gezondheidszorg. De inspanningen van de overheid op onder meer het vlak van vroegdetectie en interventie op jonge leeftijd, zijn bijzonder welkom. Toch moeten wij alert zijn en oog hebben voor de mogelijke neveneffecten. Het is zeker positief dat kwetsbaarheid op jonge leeftijd kan onderkend worden, maar het kan ook leiden tot te vroeg en te veel detectie die verkeerd is of eerder een stigmatiserend effect heeft. De outcome ervan is dan eerder nefast in de ontwikkeling van jongeren.”

“Preventie is trouwens te veel gericht op de aanpassing van individueel gedrag en gaat voorbij aan de veel betere effecten van het kunnen samenleven binnen een warme, verbindende omgeving. Er zijn landen die met identieke of mindere budgetten een hogere gezondheidskwaliteit en welzijnsstandaard verwerven. Sociale ongelijkheid heeft een direct nefaste invloed op welzijn en gezondheid.”

Christophe Mouton: “In de reclame- en marketingwereld is men al in staat om op basis van big data zeer gerichte boodschappen te versturen. Ook in de gezondheidszorg beschikken we over ongelooflijk veel gezondheidsgegevens die een grote meerwaarde zouden kunnen opleveren voor preventie en zorg op maat. Hopelijk helpen de privacywetgeving en de nieuwe Europese GDPR-verordening om dat in goede banen te leiden en vormen ze geen al te grote belemmering om deze gegevens nuttig te gebruiken.”

Eric Mortier: “Ik ben een voorstander van een databank die voor iedereen toegankelijk is. Toch moeten we oppassen met big data, want binnen de complexiteit van de gezondheidszorg kunnen er soms zeer acausale patronen uit worden afgeleid. Er is dus heel wat legislatief werk nodig, vooral op Europees niveau.”

 

 

Welke bredere rol kunnen assistentiewoningen en woonzorgcentra spelen in onze maatschappij?
 

Luc Bulckens: “Vanuit de ouderenzorg is er het idee dat we vaak binnen onze muren werken, terwijl we ons dikwijls in een buurt bevinden die betrokkenheid mist. Die muren zouden geen belemmering mogen zijn om meer zorg te dragen voor onze buurt. Het is een functie die wij kunnen opnemen en die een grotere verbondenheid met de mensen in de buurt kan waarmaken. Met een uitgebouwde buurtzorg kunnen wij mensen bereiken die minder mobiel en dus aan hun huis gekluisterd zijn. Wij zouden hulp kunnen bieden bij woningaanpassingen of andere specifieke vragen, maar ook bij noodsituaties. Ook dat past deels binnen het kader van preventie en de vermaatschappelijking  van de zorg.”

Jo Vandeurzen: “Onze laatste staatshervorming draagt hier alvast in grote mate aan bij door een aantal verschuivingen in de financiering van de residentiële ouderenzorg en door ondersteuningsmechanismen voor de eerstelijnszorg. De aandacht voor de langdurige en bredere zorg verhoogt hierdoor. Een nieuw decreet voor de rol van de lokale besturen zal de vermaatschappelijking van de zorg en het verhogen van de betrokkenheid alvast zeker bevorderen.”

Koen Ickroth: “Er is een substantieel verschil tussen het succes, de bezetting en de aantrekkingskracht van projecten die zo’n verwevenheid met de buurt kunnen realiseren en de andere projecten die meer op zichzelf staan. Die verwevenheid verhoogt niet enkel de levenskwaliteit van de mensen die er wonen, maar verhoogt ook de instroom van de mensen uit de buurt.”

“Veel mensen wonen onaangepast en dat is een groot probleem. In sommige gevallen kan hier iets aan worden gedaan, maar vaak is dat ook niet mogelijk. Vandaag verhuist men echter pas naar een assistentiewoning wanneer men echt een probleem heeft. Het komt er dus op aan om de grens te verlagen. Men weet onvoldoende welke kwaliteit en voordelen een woonproject kan bieden – en dat gaat ruimer dan enkel het zorgaspect. Ook de vereenzaming kan worden tegengegaan en het is zeker een stuk veiliger dan blijven wonen in een onaangepast huis.”

Marleen Vanhees: “Ik denk dat assistentiewoningen voor heel wat mensen een goede oplossing zijn. Toch is er een belangrijk deel van de bevolking dat thuis wil blijven wonen of waarvoor de stap naar een assistentiewoning niet mogelijk is, bijvoorbeeld om financiële redenen. Ook zij verdienen de nodige aandacht. Soms kunnen kleine ingrepen in de woning een groot resultaat hebben en meer economisch verantwoord zijn. Daarnaast ben ik bang dat heel wat assistentiewoningen die nu gebouwd worden binnen enkele decennia zullen kampen met leegstand.”

Saskia Bauters: “Projecten die een zorgtraject aanbieden en waar de verschillende zorgaspecten aanwezig zijn door het samenwerken van verschillende zorgactoren, beantwoorden vandaag het meest aan de vraag en zullen op termijn inderdaad het meest duurzaam zijn.”

Stefaan Gielens: “Toch verwacht ik niet dat de leeftijd van de bewoners van assistentiewoningen drastisch zal dalen. De residentiële markt zal eerder gaan bouwen op levensloopbestendig wonen.”

 

Wat moet het belangrijkste doel worden van onze gezondheidszorg?
 

Eric Mortier: “We mogen niet vergeten dat onze gezondheidszorg sterk gebaseerd is op de ideeën van Descartes in de 17e eeuw. De grootste ontwikkelingen in de gezondheidszorg komen hierdoor uit een biomedisch model dat het lichaam beschouwt als een apparaat. Dat is vervolgens overgenomen in een marktmodel waarbij alles wat fout gaat, moet worden ‘gerepareerd’ in een streven naar onsterfelijkheid. Toch is dat niet de ultieme ambitie van de gezondheidszorg. Het gaat eerder om mensen gelukkig maken tijdens hun leven, en dat moeten we duidelijk maken aan de mensen.”

Marc Noppen: “Het punt is dat men ook gezond oud kan worden. De 5% van de bevolking die momenteel 50% van het gezondheidsbudget verbruikt, doet dat vooral in zijn laatste levensjaren. Uiteraard sterft iedereen, maar we moeten ernaar streven om tijdens ons leven alvast zo lang mogelijk gezond te blijven. Als je weet dat 30% van de kankers te wijten is aan gedrag, dan weet je ook dat er een enorm budget zou vrijkomen door iets aan dat gedrag te doen.”

Jo Vandeurzen: “De analyses van iedereen hier aan tafel zijn alvast vrij gelijklopend. De uitdaging is om de transities die nodig zijn ook effectief te implementeren. Hiervoor moeten we kunnen rekenen op voldoende draagvlak bij alle stakeholders. De overheid kan dat immers niet alleen. Zo zullen het maken van goede afspraken rond gegevensdeling en het sterker inzetten op levenskwaliteit zeker afhangen van dat draagvlak. Op de politieke agenda staat het alvast.”