Wat zijn de belangrijkste tendensen in de zorgsector?

Carine Boonen: “Een eerste uitdaging betreft de vergrijzing. Mits een goede preventie en behandeling van chronische ziekten kunnen mensen alvast langer gezond blijven. Aan de andere kant wordt de acute zorg steeds gespecialiseerder. Het hele zorglandschap staat in ieder geval voor een gigantische transitie. Steeds meer diagnoses en therapieën kunnen dankzij innovatie al in de thuisomgeving worden uitgevoerd. Voor mensen die alleen zijn, is het echter niet eenvoudig om een heel netwerk te organiseren dat hen voor alle mogelijke zaken thuis kan bijstaan. Veel organisaties die ondersteuning bieden, hebben handen tekort.”

Ann Demeulemeester: “We zien inderdaad een grote shift van residentiële zorg naar thuiszorg en transmurale zorg. Hierdoor bedienen we vandaag een breed spectrum van mensen met allerlei specifieke zorgbehoeften. Vaak hebben ze zelfs een combinatie van meerdere noden, waar dan een integraal antwoord op moet komen. De visie op zorg is bovendien totaal veranderd. Zo staat vandaag vooral de kwaliteit van leven centraal. Samen met iedere patiënt gaan we na wat voor hem of haar een goede levenskwaliteit inhoudt, en wat daarvoor nodig is aan ondersteuning en zorg. Op basis daarvan stellen we een zorgverleningsplan op.”

Het zorglandschap staat voor een gigantische transitie. Steeds meer diagnoses en therapieën kunnen dankzij innovatie al in de thuisomgeving worden uitgevoerd. - Carine Boonen
 

“Twee elementen zijn daarbij belangrijk: autonomie en sociale netwerken. Op het vlak van autonomie is het belangrijk dat je vertrekt vanuit wat de persoon zelf wil. De cliënt of patiënt neemt zo veel mogelijk zelf de regie in handen. We trachten de autonomie ook te versterken, met waar nodig ondersteuning van verzorgenden of huishoudhulpen. Ook het opbouwen en versterken van sociale netwerken is cruciaal. Van onze zijde is het belangrijk dat we niet enkel contact hebben met de cliënt of patiënt zelf, maar ook met alle andere zorgspelers en mantelzorgers.”

Saskia Bauters: “Het is inderdaad cruciaal dat alle zorgactoren samenwerken in netwerken. Er wordt alvast sterk geïnvesteerd in de communicatie tussen de verschillende zorgactoren. Dat is absoluut nodig om te komen tot een echte geïntegreerde zorg. Heel wat verschillende spelers werken alvast aan applicaties die dat kunnen faciliteren.”

Carine Boonen: “Een veilige en accurate elektronische gegevensdeling tussen zorgverleners onderling én tussen zorgverleners en de patiënt zelf is de bouwsteen voor alle verdere innovatie. Het is immers niet efficiënt om voor patiënten te zorgen in een thuissituatie, wanneer bijvoorbeeld een veranderd medicatieschema niet onmiddellijk digitaal zichtbaar is voor alle andere zorgactoren.”

Saskia Bauters: “Het is voor de actoren een moeilijke oefening om te zien welke apps morgen nodig zullen zijn en voor welke ze dus moeten kiezen.”

Ann Demeulemeester: “Het zou ook goed zijn als alle actoren dezelfde schaal zouden kunnen hanteren voor het bepalen van de medische, psychologische en sociale zorggraad van de patiënten. Nu is dat nog verschillend voor iedere sector. Zo weten alle zorgverleners meteen welke zorg een patiënt nodig heeft.”

Sofie Blancquaert: “Ook vanuit de revalidatiesector zijn wij er een voorstander van om snel te kunnen beschikken over een screeningsinstrument om de zorgplannen, zorgzwaarte en complexiteit van de revalidatienoden sneller en beter in kaart te brengen. Ook om bestaffing en financiering te optimaliseren, kan dit instrument zinvol worden benut. Op die manier kunnen we er zo snel mogelijk op inspelen om de mensen in de juiste setting onder andere basis- en of gespecialiseerde revalidatie te kunnen aanbieden. In Vlaanderen is er alvast een enorm divers revalidatieaanbod. Voor alle spelers is er een rol, maar ze moeten dan nog beter op elkaar en de andere zorgactoren worden afgestemd.”

“Daarom heeft Zorgnet-Icuro samen met de ziekenhuissector alvast een model uitgewerkt waarmee de eerste revalidatienoden snel kunnen worden gedetecteerd in termen van een basiszorgprogramma voor revalidatie en/of een gespecialiseerde revalidatiesetting voor de meest complexe en intensieve noden. De toegevoegde waarde van multidisciplinaire revalidatie voor de herintegratie/resocialisatie van patiënten in de samenleving neemt toe.”

Saskia Bauters: “Ook de uitdagingen en noden op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg zijn enorm geëvolueerd.”

Raoul De Cuyper: “Mentale gezondheid is cruciaal binnen de globale gezondheid en levenskwaliteit van mensen. Daarom is het noodzakelijk dat er een rechtstreekse verbinding is tussen psychische en somatische zorg, zonder dat ze hun eigen identiteit verliezen. De klinische netwerken zouden een vertaling moeten zijn van deze interactie en zou de twee aspecten moeten afstemmen binnen een klinisch parcours.”

“Het cruciale van goede zorg op het vlak van geestelijke gezondheidszorg is ondergewaardeerd. De overheid doet alvast pogingen, maar toch blijven de investeringen beperkt tot nog geen tiende van het budget van de gezondheidszorg. Op Vlaams niveau heeft minister Vandeurzen dat alvast begrepen en geaccentueerd hoe belangrijk de verbinding is tussen welzijn en gezondheid. Ziekenhuizen binnen de geestelijke gezondheidszorg zouden moeten evolueren naar kenniscentra die knowhow ontwikkelen en aanbieden binnen het bredere kader van transmurale zorg.”
 


 

Welke impact zullen de ‘eerstelijnszones’ hebben?

Carine Boonen: “Vlaanderen wordt opgedeeld in een zestigtal eerstelijnszones, aansluitende gebieden waar de eerstelijnsactoren met elkaar in contact staan om een zo goed mogelijk geïntegreerd zorgaanbod te realiseren dat ingaat op de noden van de inwoners van dat gebied.”

Ann Demeulemeester: “Deze ‘eerstelijnszones’ kunnen een belangrijke bijdrage leveren om de kloof tussen de somatische en geestelijke gezondheidszorg te overbruggen, bijvoorbeeld via de zorgraden waar het de bedoeling is om met zo veel mogelijk actoren rond de tafel te zitten en afspraken te maken. De ambitie is om ook een link te leggen met de ziekenhuisnetwerken.”

Carine Boonen: “Rond de patiënt bevinden zich verschillende zorgcirkels. De binnenste cirkel bestaat uit de mantelzorgers, terwijl de cirkels naar buiten toe steeds gespecialiseerder worden. In functie van de noden van de patiënt en zijn mogelijkheden op het vlak van mantelzorg, kan dan een zorgplan worden opgesteld waarbij alle betrokken spelers zich onderling organiseren.”

Ann Demeulemeester: “Het biedt ook kansen om innovatieve samenwerkingen tussen zorgactoren op te zetten. Toch vormen de verschillende regelgevingen en bronnen van financiering soms nog een drempel. Wat we besparen in de ene sector moet worden opgevangen door de andere. Het verschuiven van financieringsstromen, zeker gezien de bevoegdheden federaal én Vlaams verdeeld zijn, helpt niet.”

Saskia Bauters: “Een recente studie van ING over de tendensen in de woonzorgcentra bevestigt dat de zorggraad sterk stijgt. Er is nood aan een multidisciplinaire zorg. Hoewel de beheerders zich daarvan bewust zijn, blijken de geplande investeringen nog niet altijd in lijn met die shift. Men weet immers niet goed in welke richting de financiering zal evolueren. Er is nood aan meer duidelijkheid.”

Ondanks de hoge kwaliteit kan de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg nog veel beter. - Raoul De Cuyper

Carine Boonen: “Eén van de zeven transitieprioriteiten van Visie 2050, de toekomstvisie van de Vlaamse Regering, betreft de prioriteit ‘samen leven’. Hoe willen wij dat dit ‘samen leven’ er uitziet, nu en in de toekomst? Welk beleid is er nodig om de gewenste richting in te slaan? Volgens het model van ‘health in all policies’ tracht de overheid bij iedere beslissing die ze neemt in elk beleidsdomein steeds effecten op het welzijn en de gezondheid van haar burgers in rekenschap te brengen. Preventie is een mooi voorbeeld waar innovatie een belangrijke rol kan spelen. Zo kan men preventief inspelen op de genetische aanleg van ieder individu om bepaalde aandoeningen te ontwikkelen en daar dan vroegtijdig en op maat op inspelen, bijvoorbeeld door het tijdig starten met aangepaste voeding bij aanleg voor hart- en vaatziekten.”

Raoul De Cuyper: “Preventie is uiteraard ook van essentieel belang binnen het werkveld van de geestelijke gezondheidzorg. De inspanningen van de overheid, onder meer op het vlak van vroegdetectie en interventie op jonge leeftijd, zijn bijzonder welkom. Toch moeten wij alert zijn en oog hebben voor de moeilijke neveneffecten. Het is zeker positief dat kwetsbaarheid op jonge leeftijd onderkend kan worden, maar het kan ook leiden tot te vroeg en te veel detectie die verkeerd is of eerder een stigmatiserend effect heeft.”

“Preventie is trouwens te veel gericht op de aanpassing van individueel gedrag en gaat voorbij aan de veel betere effecten van het kunnen samenleven binnen een warme, verbindende omgeving. Er zijn landen die met identieke of mindere budgetten een hogere gezondheidskwaliteit en welzijnsstandaard verwerven. Sociale ongelijkheid heeft een direct nefaste invloed op welzijn en gezondheid.”

 

Wat is de meerwaarde van samenwerken over de grenzen heen?

Ann Demeulemeester: “De sector van de thuiszorg telt veel medewerkers die enorm veel uren aanwezig zijn bij mensen thuis. In het kader van het preventiebeleid van de overheid hebben we een overeenkomst om een rol op te nemen in preventiegericht werken, en dat op alle vlakken: het verhogen van de veiligheid in de woning, valpreventie, enz. De mensen in het veld hebben daar immers het beste zicht op en kunnen dat ook het beste opvolgen. Toch is dat voor veel zorgbehoevenden een grote stap. Het is daarom ook belangrijk dat we hen hierrond sensibiliseren en opvoeden, en ook administratief begeleiden in een steeds meer digitaliserende omgeving.”

Carine Boonen: “Dat is ook een mooi voorbeeld van hoe er op maat kan worden gewerkt. Veel mensen zijn er zich niet van bewust hoe ze hun huis veiliger en gezonder kunnen maken. Een externe zorgverstrekker kan daar wel oog voor hebben en gepaste adviezen over geven, bijvoorbeeld rond valpreventie.”

Sofie Blancquaert: “Als gevolg van de zesde staatshervorming ressorteren onder andere de revalidatieziekenhuizen vanaf januari 2019 onder de Vlaamse overheid qua erkenning, programmatie en financiering. Gezien de budgettaire schaarste van de persoonsvolgende financiering blijft het voor ons evenwel een grote opdracht om de meest kwetsbare zorgbehoevenden verder te helpen qua uitstroom vanuit onze revalidatieziekenhuizen naar alle andere zorgvormen. Er moet immers voldoende budget zijn om aan een zwaar zorgbehoevende revalidant mee te geven.”

“Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap zet alles in het werk om met zijn aanbieders tegemoet te komen aan deze noden, maar dat is momenteel nog niet helemaal rond. De verschillende residentiële sectoren moeten zich dus ook op het vlak van revalidatie beter op elkaar afstemmen. Gezien de omvang van deze afstemming zullen we in een prioriteringsverhaal terechtkomen.”

Saskia Bauters: “De shift naar de persoonsvolgende financiering is een grote evolutie voor alle zorgactoren. Men stelt zich de vraag welk aanbod waar moet worden gegeven, hoe dat moet worden gefinancierd en hoe men moet omgaan met de grotere mobiliteit van de patiënt.”
 


 

Hoe kunnen we de toegankelijkheid verbeteren?

Ann Demeulemeester: “Er zijn diverse belangrijke kwetsbare groepen waar wij allemaal dezelfde bekommernissen over hebben. Zo komen wij veel in contact met mensen die in (kans)armoede leven. We trachten hen indien mogelijk te begeleiden, maar bereiken hen niet altijd. In het nieuwe woonzorgdecreet is opgenomen dat wij meer gericht naar buiten zullen moeten treden. We zijn echter bezorgd over welke impact de persoonsvolgende financiering zal hebben.”

Raoul De Cuyper: “Ook binnen de geestelijke gezondheidszorg zijn we erover bekommerd hoe we de toegankelijkheid kunnen vergroten. In onze centra werkt men nu pas aan de uitbouw van dringende en intensieve gespecialiseerde zorg, terwijl dat in de somatische zorg al lang een voorwaarde tot erkenning als ziekenhuis is. Er blijken onder andere bij de uitrol van de mobiele zorgeenheden enorm veel mensen te zijn met ernstige en complexe psychische aandoeningen die tot nu toe onvoldoende of geen toegang hadden tot zorg. Ondanks de hoge kwaliteit kan de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg dus nog veel beter.”

Ann Demeulemeester: “De toegankelijkheid wordt ook belemmerd door de complexiteit, waardoor mensen er hun weg niet meer vinden. Via coördinatie en overleg achter de schermen moeten we dat absoluut verbeteren.”

Carine Boonen: “In dat kader zou het niet slecht zijn als iedere persoon met een zorgnood een coach krijgt. De vraag is wie dat dan moet zijn: de huisarts, de thuisverpleegkundige,… Het kunnen eventueel ook meerdere personen zijn, die dan wel moeten fungeren in een netwerk. Binnen dat netwerk moeten patiënten en mantelzorgers een aanspreekpunt hebben waar ze vertrouwen in hebben, en die weet waar patiënten het best kunnen worden geholpen.”

Raoul De Cuyper: “Het zou mooi zijn als die netwerken - die zeer positief zijn - ook gestimuleerd worden binnen het reguliere samenleven op vlak van wijkgerichte verbondenheid en ook binnen elke leefomgeving waar mensen aan participeren, onder meer door nieuwe bedrijfsculturen.”

 

Hoe belangrijk is innovatie?

Sofie Blancquaert: “Er zijn al heel wat middelen vrijgemaakt voor innovatie en nieuwbouw van universitaire en algemene ziekenhuizen. Nu staan een aantal revalidatieziekenhuizen en psychiatrische ziekenhuizen op de lijst van prioritaire dossiers met dringende infrastructurele en innovatienoden. Als we moeten wachten tot het Zorgstrategisch Plan Vlaanderen klaar is, dan zal onze infrastructuur volledig verouderd zijn.”

“In de volgende legislatuur moet dat dus absoluut meer aandacht krijgen, rekening houdend met onze rol in het netwerk. Er moet een vast investeringsbedrag worden vrijgemaakt voor technologische innovatie. Het federale en Vlaamse niveau moeten een gezamenlijke visie ontwikkelen. Bij iedere staatshervorming en nieuwe bevoegdheden moeten er ook middelen meekomen.”

“Door met negen revalidatieziekenhuizen Vlaams te worden, zijn wij alvast een pionier voor de invulling van de Vlaamse sociale bescherming. Maar we moeten in bepaalde dossiers wel zien dat we gelijke tred houden met onze federaal gebleven revalidatiediensten. Alle overgedragen sectoren vinden elkaar nu bijvoorbeeld rond het IFIC-akkoord. Daarbij gebeurt er voor de socialprofitsector een weging van de zwaarte om de functieclassificatie en verloning in een nieuwe baremastructuur te bepalen.”

Raoul De Cuyper: “Dan moet men ook bereid zijn om te investeren en vertrouwen te geven aan de sector om die middelen op een goede manier te gebruiken. Het huidige verstikkende regelgevende kader wordt alsmaar strenger, wat de innovatie dreigt te ondermijnen.”

Carine Boonen: “Zo botst bijvoorbeeld ook het in de tuin plaatsen van een tijdelijke zorgwoning voor een zorgbehoevend familielid op heel wat regels. Er is daarom gepleit voor een regelluwte die de kans moet bieden om dat concept verder uit te werken en te testen. Het kan een belangrijk hulpmiddel zijn op voorwaarde dat het past binnen een geïntegreerd zorgaanbod op maat van de persoon met een zorgnood.”

We zien een grote shift van residentiële zorg naar thuiszorg en transmurale zorg. - Ann Demeulemeester

Sofie Blancquaert: “In Inkendaal hebben we enkele jaren geleden een hightechcentrum voor bewegingsanalyse opgericht. Dat biedt voor onze expertise in gespecialiseerde revalidatie een grote meerwaarde, die nodig is om een echt geïndividualiseerd zorgplan te kunnen opstellen. We hoopten dat daar met de zesde staatshervorming middelen voor zouden worden vrijgemaakt, maar intussen trappelen we al vier jaar ter plaatse om de continuïteit te kunnen garanderen en lopen de kosten op. Voor de sector is het nu vijf na twaalf op het vlak van financiële noden. De verwachtingen naar de overheden zijn daarom groot om een nieuw financieringssysteem uit te werken, opdat ziekenhuizen verder kunnen uitgroeien tot innovatieve kenniscentra in het belang van de patiënt.”

Carine Boonen: “Soms kan innovatie ook kostenbesparend zijn. Vaak vraagt dat eerst om een investering, maar op langere termijn kan het winsten opleveren. Innovatie mag dus zeker niet worden tegengehouden door enkel naar de initiële kosten kijken.”

Ann Demeulemeester: “Toch zal het extra investeringen vergen. Zo moesten wij de digitalisering van de thuiszorg zelf financieren. De grotere efficiëntie daarvan weegt niet op tegen de recurrente kosten die dat met zich meebrengt. Innovatie is nu eenmaal investeren. Momenteel zijn de marges daar echter niet breed genoeg voor, terwijl er een groeiende zorgnood is die we moeten kunnen blijven beantwoorden. Hetzelfde geldt voor de persoonsvolgende financiering: als er niet voldoende budget tegenover staat, dan zal de kwaliteit achteruit gaan.”

 

Hoe kan de overheid beter tegemoet komen aan de noden van de sector?

Raoul De Cuyper: “De overheid moet zich op dat vlak nog meer laten bijstaan door experts uit de sector en door vertegenwoordigers van de klanten – zij voelen aan wat er nodig is. Momenteel neemt de overheid teveel beslissingen vanuit andere invalshoeken.”

Carine Boonen: “Toch hebben heel wat groepen een rechtstreekse lijn met de overheid om hun expertise ter beschikking te stellen en te lobbyen voor meer middelen. De overheid neemt dus wel degelijk onderbouwde beslissingen. Maar uiteraard is het budget niet oneindig. De overheid tracht het beschikbare budget zo goed mogelijk te verdelen en te besteden met het oog op kwaliteit.”

Sofie Blancquaert: “Het probleem is dat vandaag op verschillende overheidsniveaus gelijktijdig de meest fundamentele hervormingen in de gezondheidszorg gebeuren van de afgelopen jaren. Er wordt veel overlegd met de sector, maar er komt steeds terug dat de overheden vaak geen andere keuze hebben dan voorlopig te focussen op de continuïteit.”

Carine Boonen: “Die verwachtingen zullen alleszins moeten worden getoetst aan de realiteit. Als er wordt gekozen voor meer zorg in de thuisomgeving, dan hangt daar ook een prijskaartje aan vast. De persoonsvolgende financiering zal patiënten voor een stuk zelf laten bepalen op welke zorgen ze een beroep doen, en wanneer. We bevinden ons momenteel in een overgangsfase waarbij er nog heel wat zaken op punt moeten worden gesteld. Binnen de Visie 2050 zetten we onder andere in op sociale cohesie en vermaatschappelijking om deze uitdagingen deels op te vangen.”

Ann Demeulemeester: “Men spreekt inderdaad over vermaatschappelijking, maar het potentieel in de maatschappij om dat echt op te nemen, is verkleind. Kinderen hebben vaak niet de tijd om voor hun ouders zorgen. Onze diensten moeten hierdoor alsmaar meer uitrukken, ook tijdens weekends en op feestdagen. We moeten dus goed opletten waar flexibele zorg op maat botst met de draagkracht van de professionele zorgverlening en haar medewerkers.”

Saskia Bauters: “Uit een studie van ING blijkt inderdaad dat personeel de grootste uitdaging vormt voor de sector.”

Raoul De Cuyper: “Ook in de geestelijke gezondheidssector zien we dat de ziekenhuizen haast uitsluitend nog de ernstige en complexe problemen intramuraal behandelen. Qua omkadering gelden echter de bestaande medische en paramedische omkadering, waardoor de druk op medewerkers enorm is toegenomen.”

Carine Boonen: “De Vlaamse overheid heeft alvast een project opgezet om na te gaan hoe de zorg en ook het ziekenhuis van de toekomst eruit moeten zien. Innovatie zal veel mogelijk maken, waardoor bepaalde taken kunnen verschuiven van het ziekenhuis naar de thuiszorg. De uitdaging zal liggen in de draagkracht van de samenleving om die innovaties te kunnen omarmen. Maar dat de gezondheidszorg voor een gigantische revolutie staat, dat staat vast.”