Een boeiend gesprek over huidige modellen vs. alternatieven, experimenten, de zoektocht naar gekwalificeerd personeel, innovatie en de technologische evolutie.

Kan het huidige model van de ouderenzorg op lange termijn overleven? En wat zijn eventuele alternatieven?

Carine Boonen: “Als we kijken naar de vergrijzing en de woonzorgcentra zoals we die nu kennen, dan zal er binnen 10 à 20 jaar in elke straat een woonzorgcentrum nodig zijn. Dit is uiteraard niet mogelijk. We moeten het daarom omdraaien. Iedereen die een nieuw huis bouwt, zou pas een vergunning mogen krijgen als dat huis modulair is en vanaf het begin is aangepast aan de noden voor mensen met een beperking. Op die manier kan men er levenslang blijven wonen, ook als men zorgbehoevend wordt. Dat vraagt wel om een ander stedenbouwkundig beleid.”

Herman Bernaerts: "In dat geval krijgen we een heel ander maatschappelijk model. De vraag is of we erin gaan slagen om dat model te veranderen. We gaan dan immers in zekere zin terug naar een systeem zoals in de jaren 60, waarbij de kinderen voor hun ouders zorgen. Het individualisme is echter enkel maar toegenomen. Hoewel dit misschien een van de enige modellen is die economisch haalbaar zijn, lijkt deze ommezwaai me moeilijk.”

Kristof Vanfleteren: “Wij passen het model vandaag al toe in het kader van een stadsontwikkelingsproject in Turnhout. Jongeren en ouderen leven er op één site samen. In samenwerking met Licalab werd een systeem ontwikkeld waarbij ouderen diensten bewijzen aan jongeren zoals koken, oppasdiensten en dergelijke. De jongeren organiseren dan weer de boodschappen en doen allerlei klusjes. Dit model kan echter enkel werken met gemengde sites.”

Carine Boonen: “Voor de overheid is het zeker interessant om hiermee te experimenteren en te kijken hoe we er iets zinnigs mee kunnen doen. Voor een deel gebeurt dat nu al in proeftuinen en in de sociale innovatiefabriek ”

Klaartje Theunis: “We moeten de problematiek eigenlijk verder open trekken. Het probleem is niet zozeer dat men ouder wordt, het is eerder dat men chronisch ziek en afhankelijk wordt. Alle tussenvormen van zorg moeten dus ook een plaats krijgen op zo’n gemengde site. We moeten ketens maken, op termijn zelfs leeftijdsonafhankelijk.”

Carine Boonen: “Er is alvast een globale visie. Alle bevoegde Vlaamse ministers voor welzijn, volksgezondheid, gezin, wonen, ruimtelijke ordening en mobiliteit delen die visie. Het neemt echter enige tijd in beslag om bepaalde zaken uit te werken en in de praktijk te brengen. Dit vraagt om een zorgvuldige transitie waarbij mensen niet plotseling aan hun lot worden overgelaten. Continuïteit is ook belangrijk vanuit het standpunt van diegenen die nu afhankelijk zijn van bepaalde ondersteuningsvormen. Je kan dat niet zomaar van vandaag op morgen opleggen. Minister Jo Vandeurzen heeft dat ook uitgewerkt in zijn ouderenbeleidsplan.”

Marc Verbruggen: “We moeten inderdaad ook denken aan de sociologische realiteit van onze maatschappij, waarbij het individualisme een groeiende evolutie meemaakt en de oudere en afhankelijke personen zich meer en meer gaan isoleren. We moeten ook nadenken over de eventuele regionalisatie van de zorg en de mogelijke financiële gevolgen ervan.”

Geert Stroobant: “Ook op een gemengde site kan je perfect alleen wonen. Je kan deze zo inrichten dat er nog steeds voldoende privéruimte is, naast eventuele gemeenschappelijke voorzieningen en activiteiten. Het beleid kan trouwens een enorme trekker zijn. Zo schreef minister Jo Vandeurzen in 2014 ‘Perspectief 2020’ voor mensen met een beperking. Dat ging over een plan van slechts zes jaar waarbij er geen directe inspraak was van de sector. Door bepaalde zaken op korte termijn door te drijven, is de overheid een enorme hefboom en bepaalt zij het tempo. Dat moet ook gebeuren in de ouderenzorg.”

Klaartje Theunis: “Dat gebeurt reeds. Het gaat zelfs nog sneller, wat niet altijd evident is. Wel heb ik een kanttekening bij het gemeenschapsgebeuren. We kunnen niet veronderstellen dat mensen die voltijds werken, in hun vrije tijd ook nog eens voor hun oudere buren gaan zorgen. Dat klinkt wel mooi, maar het moet ook worden waargemaakt. Ik ben er dan ook van overtuigd dat collectiviteiten zeker een deel van het antwoord zullen blijven.”

Geert Stroobant: “Door verschillende doelgroepen bij elkaar te brengen, zal er automatisch ook meer solidariteit ontstaan. Daarnaast kan er op de site ook een conciërge wonen. Dit is dan een gedragen zorg voor de site onder de vorm van een tewerkstelling. Tegelijk woont hij er gewoon met zijn gezin.”

Carine Boonen: “Naast het gekende concept van kangoeroewoningen wordt er ook geëxperimenteerd met tijdelijke en verplaatsbare woonruimtes die in de tuin van bijvoorbeeld de kinderen kunnen worden geplaatst. Voor een kangoeroewoning zijn immers heel wat permanente aanpassingen nodig aan het huis, terwijl de nood meestal tijdelijk is.”

“Deze verplaatsbare woonruimtes zijn aangepast aan de noden van ouderen, mensen met een beperking en mensen die tijdelijk zorg nodig hebben na bijvoorbeeld een operatie. Er wordt ook een heel netwerk van thuiszorg aan gekoppeld om de zorg goed te organiseren. Helaas stoot men daarbij tegen heel wat stedenbouwkundige problemen. Toch heeft het de verdienste om te experimenteren en te kijken wat de uitdagingen zijn, vooral ook om de kwaliteit van de zorg te waarborgen.”

Geert Stroobant: “Juist, en wanneer de kinderen dan op vakantie gaan en dus niet voor hun ouders kunnen zorgen, zijn die mensen zeer welkom voor een kort verblijf in een woonzorgcentrum of in een zorghotel. Het aanbod voor tijdelijk verblijf is echter nog zeer beperkt.”

Hoe realistisch is het om deze theoretische modellen en experimenten op grote schaal uit te rollen?

Herman Bernaerts: "Heel wat van de modellen die we hier al hebben besproken, kunnen wel degelijk werken. De grote uitdaging is om ze te vermaatschappelijken. Wanneer je mensen bij elkaar zet die allemaal een behoefte hebben, zullen die elkaar sneller gaan helpen. We spreken hier echter ook over het betrekken van jonge mensen die geen zorgbehoeften hebben. Zal ons dat wel lukken?”

Kristof Vanfleteren: “Een systeem van buren die elkaar helpen kan zeker werken, maar er zal toch ook altijd behoefte zijn aan professionals. De verdienste zal zijn dat het alvast het werk van de professionals voor een stuk verlicht, waardoor deze zich kunnen concentreren op die deeltaken waarvoor ze zijn opgeleid.”

Koen Ickroth: “Het betrekken van buren op gemengde sites maakt de zorg en exploitatie van een project betaalbaarder. Het kan zelfs nog bijkomende voordelen opleveren. Een gemengde site zorgt immers voor extra bezoekers en inkomsten. Voor een dienstencentrum is dit een droom. Zij kunnen zo bijvoorbeeld meer goedkope maaltijden verkopen in een restaurant dat buiten voor de ouderen ook voor de buren toegankelijk is. Er moeten dan wel goede fiscale afspraken gemaakt worden.”

Klaartje Theunis: “Er komt alvast een verplicht kader rond assistentiewoningen. Minister Jo Vandeurzen wil naar een systeem van enkel ‘erkende’ assistentiewoningen met de garantie dat er voldoende brug- en crisiszorg is. Zo zullen we afstappen van het simpelweg aanmelden en worden de bewoners meer beschermd.”

Welke innovaties kunnen helpen om mensen met dementie beter op te vangen?

Geert Stroobant: “In Nederland test men het ‘dementievriendelijke dorp’. Het gaat over enkele straten in een dorp waar dementerenden vrij kunnen dwalen. Wanneer ze zich buiten deze zone begeven, zal er een alarm afgaan. Bovendien kan men deze mensen continu lokaliseren via GPS. Dat is trouwens ook interessant voor andere aandoeningen zoals NAH. In die zin spreken we misschien beter van ‘dwaalvriendelijke dorpen’.”

Koen Ickroth: “Ook hebben ze er liften die volledig automatisch werken. De bewoners moeten dus geen knoppen meer induwen om naar een verdieping te gaan en de deuren te openen. Het is een mooi model, maar de vraag is of dat soort projecten de grote dementiegolf die eraan komt werkelijk gaat kunnen opvangen. Het lijkt me eerder dat dementie een doelgebied is van de woonzorgcentra.”

Carine Boonen: “We moeten ook beseffen dat de wetenschappelijke wereld grote vorderingen maakt op het vlak van dementie. Er zal vast en zeker een genezende behandeling komen, maar de vraag is wanneer. Meerdere farmaceutische firma’s zijn met hun onderzoek al vergevorderd.”

“Voorlopig kan dit nog niet omdat er nevenwerkingen zijn, maar we gaan er toch van uit dat dementie in de toekomst zal kunnen worden behandeld en genezen. Het lijkt me dan misschien geen goed idee om zware investeringen te doen in ‘dementievriendelijke dorpen’, wetende dat deze binnen vijf of tien jaar misschien hun nut zullen verliezen.”

Marc Verbruggen: “De evoluties op het niveau van het onderzoek vormen op termijn zeker een onweerlegbare, positieve evolutie maar lossen de actuele problemen niet op. Ze zullen alvast niet de globaliteit van deze ziekte oplossen. Men moet dit dus zeker in acht nemen.”

Klaartje Theunis: “We zijn een grote voorstander van genormaliseerd kleinschalig wonen. Eigenlijk is zo’n dementievriendelijk dorp hiervan een cluster. In die zin is het goed voor personen met dementie, maar ook voor andere doelgroepen.”

Carine Boonen: “De Vlaamse regering heeft in haar “Visie 2050: een langetermijnstrategie voor Vlaanderen” zeven transitieprioriteiten omschreven. Een daarvan betreft ‘Werk maken van zorg en welzijn 4.0’. Daaronder wordt gekeken hoe we in relatie met de andere transitieprioriteiten vandaag al een beleid kunnen voeren om ervoor te zorgen dat we tegen 2050 een samenleving bekomen zoals we ons die graag voorstellen. Zorg en welzijn worden in deze visie alvast niet beschouwd als iets geïsoleerd, maar als een van de zeven onderling sterk gerelateerde transitieprioriteiten.”

Er zijn steeds meer technologische hulpmiddelen beschikbaar die zich richten op de ouderenzorg. Hoe kunnen we die optimaal inzetten?

Herman Bernaerts: "We gaan van een institutionalisering van de zorg naar een vermaatschappelijking van de zorg. Daarbij moeten we oog hebben voor de technologische vooruitgang die in toenemende mate ondersteuning kan bieden. We moeten deze hulpmiddelen verwelkomen en maximaal inzetten. De nieuwe senioren worden steeds meer vertrouwd met technologie.”

Carine Boonen: “Daarbij is het dan wel belangrijk dat we de juiste innovatie, op het juiste moment, bij de juiste zorgvrager brengen. Dat faciliteren is de missie van Flanders’ Care: Op aantoonbare wijze en door innovatie het aanbod van kwaliteitsvolle zorg verbeteren en verantwoord ondernemerschap in de zorgeconomie stimuleren. Hiervoor moet eerst best grondig worden getest op kleine schaal, vooraleer er zware investeringen worden gedaan.”

Marc Verbruggen: “De integratie van de geriatrische technologie is één van de grote uitdagingen voor de toekomst. We moeten deze gaan integreren, uitproberen, omkaderen en ontwikkelen om de kwaliteit van de zorg te verhogen, alsook het welzijn van de residenten.”

Koen Ickroth: “De technologische vooruitgang gaat enorm snel. Sensoren en detectoren kunnen een bepaald leefpatroon detecteren. Zo kan zeer snel ingegrepen worden indien zich iets ongewoons voordoet. De uitdaging is inderdaad om het te implementeren en optimaal te benutten. Hierbij is het belangrijk dat we ook de verzorgers goed opleiden.”

Klaartje Theunis: “Het menselijke aspect moet ook steeds bewaard blijven. De technologisering gaat pijlsnel, maar ouderen hebben ook tijd nodig om dit alles te omarmen. Anderzijds moeten de verzorgers niet te veel focussen op hun technologie. Ze moeten vooral aandacht hebben voor de mensen.”

Carine Boonen: “Dit is ook een kwestie van opleiding. Vandaag moeten verzorgers al deze technologie in de praktijk leren. De komende generaties van zorgverleners  zullen er daarentegen een uitgebreide opleiding over krijgen tijdens hun studies.”

Er is een nijpend tekort aan verzorgers, verpleegkundigen en specialisten in de ouderenzorg. Zullen we deze in het buitenland moeten zoeken?

Geert Stroobant: “Er is nu al een enorm tekort, en dat wordt enkel nog groter. Buitenlandse krachten kunnen zeker een deel van de oplossing zijn, maar die hebben vaak geen rijbewijs. Dit geeft dan weer een enorm probleem wanneer ze zich moeten verplaatsen tussen verschillende locaties. Een andere mogelijkheid is om mensen zo veel mogelijk collectief te bedienen op sites met een dagopvang. Personeel dat zich de hele dag per wagen moet verplaatsen tussen verschillende ouderen is immers erg duur en verliest veel tijd.”

Marc Verbruggen: “Om het tekort op te lossen, moeten we de reputatie van de sector verbeteren door het aantrekkelijker te maken voor alle partijen.”

Klaartje Theunis: “Wie op zoek is naar job zekerheid, kiest nochtans best voor een job in de zorgsector. Vooral in de ouderenzorg zal er ook in de toekomst een sterke vraag blijven naar personeel.”

Geert Stroobant: “Het probleem is dat deze grote vraag ook resulteert in een concurrentiestrijd op de arbeidsmarkt. Tegenwoordig stellen sollicitanten heel wat eisen die we niet altijd kunnen inlossen.”

Klaartje Theunis: “Wat dat betreft, is de federale minister voor volksgezondheid aan zet. Ze is van plan om het KB 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen te wijzigen, maar het is niet zeker of dit zal helpen. Er zullen immers aktes worden voorbehouden voor bepaalde beroepsgroepen, en zo zal de schaarste in stand worden gehouden.”

Carine Boonen: “Er moet voor en ook tijdens de opleiding goed worden uitgelegd aan studenten wat het betekent om voor verpleegkunde te kiezen. Vaak gaat dat ook over eerder technische functies, intensieve zorgen, radiologie, enz. Een groot deel van die jongeren wil echter in een zorgfunctie terechtkomen, en net voor die functies is er een groot aanbod aan vacatures in de ouderenzorg. Ook in een job in de ouderenzorg komt men trouwens in contact met heel wat innovaties en technologieën.”

Marc Verbruggen: “Minister Jo Vandeurzen heeft al heel wat goede maatregelen genomen om de sector te ontwikkelen. Het aantrekkelijk maken van deze sector, alsook de opleiding, is eveneens de taak van de minister van onderwijs.”

Klaartje Theunis: “Om het imagoprobleem van de sector te verbeteren, moeten we eveneens af van de dualiteit tussen de woonzorgcentra en de thuiszorg. Hiertussen is er nog een heel gamma aan oplossingen waarop kan worden ingezet, denk maar aan dienstencentra, dagverzorging, kortverblijf, buurtgerichte samenwerking, enz.”