We vragen uitleg aan Prof. Dr. Gregor Verhoef van het UZ Leuven.

Hoe verloopt de diagnose?

De meest voorkomende klachten zijn een constante vermoeidheid en een opgeblazen gevoel in de buik. Dit zijn natuurlijk eerder vage klachten. Tegenwoordig wordt echter 30% per toeval gediagnostiseerd via een routine bloedonderzoek waaruit blijkt dat het aantal witte bloedcellen abnormaal hoog is.

Welke vooruitgang is er geboekt?

Vroeger was CML een fatale ziekte die na gemiddeld vijf à zes jaar overging in een acute fase. Enkel de kleine groep van patiënten bij wie een stamceltransplantatie mogelijk was overleefden. Sinds 2000 zijn er gelukkig geneesmiddelen op de markt die bij de meerderheid van de patiënten de ziekte onder controle houden: de zogenaamde tyrosine kinase remmers. Bij slechts een minderheid van te ver geëvolueerde patiënten bieden ze geen hulp meer en is een stamceltransplantatie de laatste optie om de ziekte te genezen.

Wat is de grootste uitdaging voor de patiënten die de middelen nemen?

De voorwaarde én grote uitdaging is dat men zijn medicijnen trouw blijft nemen. We merken dat sommige patiënten na enkele jaren tabletten slikken therapie moe worden en afhaken. Het risico is dan erg groot dat de ziekte zich opnieuw ontwikkelt. Een belangrijke reden voor die moeheid zijn de nevenwerkingen. Deze verschillen van patiënt tot patiënt.

Hoe belangrijk is verder onderzoek?

Deze doorbraak bewijst alvast het belang van onderzoek en ontwikkeling. Het ziet ernaar uit dat we op termijn, wanneer we gedurende twee jaar met heel gevoelige technieken niets meer terugvinden van de ziekte, maar liefst 40% van de patiënten blijvend kunnen laten stoppen met het innemen van de medicijnen. Misschien dat deze groep van patiënten echt genezen is. Bovendien zullen er in de toekomst nóg efficiëntere medicijnen komen die minder nevenwerkingen hebben en nog meer patiënten kunnen helpen.